Eenzaamheid

Whenever I’m down
I call on you my friend
A helping hand you lend
In my times of need

Dit wordt gezongen in het liedje My friend van Groove Armada. Altijd als ik het hoorde, stelde het me op de een of andere manier gerust, alsof je in gedachten altijd iemand kan bellen die aan de andere kant van de denkbeeldige lijn klaarstaat om je te helpen, om je de juiste woorden mee te geven waar je op kan vertrouwen. Maar het liedje gaat niet over de mogelijkheid om iemand te bellen, het gaat niet over de idee van ‘iemand bellen’, het gaat erover daadwerkelijk een vriend te bellen die je gerust stelt.

Groove Armada _ My Friend from Puce [̲̅♥̲̅] on Vimeo.

You say the right things
You keep me moving on
You keep me going strong

Vlak voordat ik hier uiteen wilde gaan zetten hoe ik juist niet op zoek ben naar een ‘echte vriend’ van vlees en bloed, maar naar de idee van die vriend, die uiteindelijk nergens anders te vinden is dan binnen jezelf, zoals bijvoorbeeld Jimmy Hendrix ook zingt in zijn My friend, wat hij heel toepasselijk aankondigt met de de woorden: “Y’all pass me that bottle, and let me sing you a real song,” ging mijn telefoon en was het mijn vrouw die haar verhaal kwijt wilde over haar beoordelingsgesprek op school. “Eenzaamheid” verder lezen

7

Voor ik het tussendoorpaadje nam, begroette ik mijn vriend. Hij was vanavond zo aanwezig, alsof hij me naar buiten riep. Voorbij de rijtjeshuizen dook hij meteen weer op, ik groette nogmaals, liep verder in de wetenschap dat hij me achtervolgde en zag vervolgens het ene na het andere merkwaardige verschijnsel: creaturen met wapperende bontjassen, glimmende of doffe vachten, klein, groot, maar altijd op vier poten waarmee ze lange gestalten achter zich aantrokken. Als er een mijn kant opkwam stak ik meteen schuin de weg over, semi-nonchalant, keek even in de schaduw onder de rand van een hoed van een meegtrokkene, angstig als ik was voor hun leiders.

Om de hoek kwam er geluid uit enkele eenlingen die zomaar uit het bos kwamen rijden, het klonk hard en schel. Die gedachte alleen al doorbreekt mijn droomtoestand, o ja, ik bedacht dat dat mijn voorland moest zijn, ooit een oor af te moeten snijden.

Er ging van alles langs me heen, voornamelijk lucht; of ging onder me door: bobbeltjes, gekraak. Ik stapte over een bronzen weg, zag er aan de overkant weer twee staan wachten op een kakkend baasje.

Zet een bouwlamp achter een organisch gegroeide kerk als het ware als spotjes gericht op een monumentale zilverfabriek en je hebt een museumpronkstuk, kunst, en het is nog driedimensionaal en in beweging ook. Vooruitgang is logischerwijs een illusie. De dichter die in drie dimensies probeert te schrijven is gedoemd naar het goddelijke te grijpen en sneller dood te gaan dan de rest.

Droomlopen, dat is wat ik doe. Af en toe opende ik m’n ogen zonder dat ze dicht zaten en zag ik weer flarden uit mijn psychedelische trip alsof ik iets had ingenomen wat nooit meer zal uitwerken. Een dak dat ritselend en licht deinend over me heen hing, goudgekleurde beelden die zich vanuit de grond naar de sterrenhemel vertakten. En daar was hij weer, godsamme.

Het laatste stukje tot mijn voordeur bedacht ik dat de verbeelding zo overgewaardeerd is. Iedereen heeft het, behalve ik en ik moet daar mee zien te leven en ja, dat is vaak verdomd lastig. Gelukkig heb ik een grote vriend die zich verschillend manifesteert en als hij me laat lachen – zoals op het kruispunt vlak voor huis waar ik het niet kon laten om toch weer even omhoog te kijken – verschijnt er een grote grijns op mijn bakkes. Niemand die het ziet maar geloof me, die lach is er op zo’n moment echt niet opgetekend.

6

Sinds ik denk dat ik schrijver ben, droom ik van het schrijven van een boek dat zó onmogelijk is dat ik er nooit aan zal beginnen voordat ik eerst volslagen krankzinnig ben geworden en de illusie die ik wil creëren reëler acht dan alles wat werkelijk is. Helaas weet ik dat alles slechts weerspiegelingen zijn van onszelf op het moment dat we iets aan ons zelf spiegelen. Alleen nu al opschrijven wat ik zojuist dacht toen ik mijn laptop openklapte is al onmogelijk omdat het weer vervlogen is met wat ik een minuut geleden dacht. Dit ben ik niet die dit schrijft, dit is iemand die ik was; iemand die probeerde een toekomst te zijn die hij niet kon worden en zodoende dit schreef.

Mijn droom is een ontmoeting tussen de poëzie en het leven; tussen de woorden en wat ertussen ligt. Mijn zinnen zullen niet uitdrukken wat de spaties niet zeggen en het wit rond alle letters zullen niet kleuren wat de taal niet kan schilderen. Maar in de samensmelting van een keur aan uitdrukkingen van ons handelen met spelende hersenspinsels die vanuit mijn ziel worden voortgestuwd, hoop ik iets te kunnen creëren wat de moeite waard is.

Hoe pijnlijk is het te weten dat je een baby zal baren dat een gedrocht zal zijn, net als alle anderen. Waarom de tijd uitzitten, de pijnlijke last blijven dragen, wetende dat hetgeen uit mij zal komen op niets zal lijken op mijn gedroomde droom? Waarom niet blijven dromen? Mezelf in mijn slaap nog eens ongemerkt verder wikkelen in een wit laken dat voor altijd wit zal blijven.

Ik blijf het maar verneuken.

5

Als ik het ’s avonds niet meer weet, ga ik naar buiten en loop een rondje om de sportvelden. Eerst door de Stokroosstraat, langs een ouderenflat waar een mevrouw van haar zuurstofflessen leeft. Zij is altijd recht voor haar raap. Mensen die denken iets voor te stellen, zoals een man in uniform met een of ander speldje op, die weet ze wel op hun nummer te zetten mochten ze ook maar iets van hun dedain op wat voor manier dan ook tentoonspreiden. De opmerkingen die zij naar hen maakt weet ze met veel vilein, alsof jij die man bent, te verpakken in anekdotes waar zijzelf zo hard om moet lachen dat ze daarna volledig buiten adem is en het plastic uiteinde van de slang die oneindig door haar kleine flatje lijkt te lopen in haar neus moet steken om met een traan over haar wang het tekort aan levensbrandstof te inhaleren, waarbij ze steeds serieuzer gaat kijken en je in haar ogen weer de triestheid ziet van het moment dat je bij haar binnenstapte.

Dan door de Zonnebloemstraat, langs Uitzicht, waar een vrouw woont die vond dat ik haar altijd zo lekker insmeerde omdat ik de zalf met mijn blote handen in haar huid masseerde. Sinds iemand mij vertelde dat ik beter handschoenen aan kon doen, werd ik iemand die handschoenen droeg.

Na mijn ronde loop ik door omdat ik het nog steeds niet weet. Dan steek ik de Segbroeklaan over waar de auto’s sneller rijden, ga het parkje in, verdwijn in een heel klein stukje duisternis en voelt het even alsof ik weg ben; het verkeer dat voorbij dendert houd me hier. Ik loop richting het bruggetje en hoor jongens met zware stemmen rond een bankje hangen tot ik eroverheen loop en besef dat ze een heel koor aan kikkers zijn die me begroeten. Ze liggen verscholen tussen de eenden in de zwarte vijver; witte stippen die de sterren aan de hemel weerspiegelen rond een kunstwerk dat de aarde eraan vastlijmt.

Op mijn laatste stappen moet ik vertrouwen, zo dicht is het donker waar het het dichtstbegroeid is. Thuis weet ik dat ik het nog steeds niet weet. Zelfs dat weet ik niet.

3

Leven is afleiding. Denken is leven. Leven is het afgeleide van denken. Beweging is stilstand. Stilstand is beweging. Je niet-bewegen zonder focus, is chaos van het denken dus het leven.

Als ik mijn gedachten niet op iets richt, lijkt het alsof mijn lichaam ter compensatie houvast zoekt. Ik bijt nu al een behoorlijke poos onafgebroken op de binnenkant van mijn mond. Linksonder mijn onderlip zit een stukje week vlees dat ik voortdurend tussen de spleet van twee van mijn tanden bijt en er vervolgens doorheen trek, soms in één haal, soms in twee etappes: wanneer de inwendige huid na een eerste ruk nog even blijft hangen voordat deze, steeds iets meer opgezwollen, terugveert.

Deze hele analyse is totale nonsens; bezigheidstherapie. Wat ik zeg klopt niet eens. Nog steeds bijt ik op mijn lip, nog steeds ben ik op zoek naar houvast. Toch is er ondertussen wat tijd verstreken en… heb ik mij als God gedragen. Ik heb mijn zielige lengte gebogen naar ingevingen, deze vermoeid opgeraapt in een poging de aandacht van mijn zelfopetende reflexen de baas te worden en me te verzoenen met het échte leven, het échte denken, zoals de groten der aarde.

Weer heb ik gefaald.

2

Ja ook dit is zinloos mijn lieve vriend. Jouw hart is zo warm dat ik hem als een kloppende kruik tegen mijn wang wil drukken. Weet dat jouw bloed door mijn aderen stroomt. Je kolkt door mijn lijf, ik voel je als een vloeibare stem die me tegelijkertijd opjaagt als gerust stelt. Als ik het lef zou hebben zou ik het je zeggen als we elkaar passeren. In plaats van die hard zachte blik die je me werpt te beantwoorden met een ongemakkelijkheid waarmee ik doorgaans mensen aankijk, zal ik een arm om je heen slaan en de kant die jij opgaat met je meelopen en zeggen dat ik het weet en dat het goed is. Het is goed.

Maar ik ben te laf en wandel mijn onbetekenende weg. Mijn zware stappen zullen blijven sterven in de wind; in de dikke lucht; het vette niets en alles; ik kan het soms bijna aanraken, me eraan vastklampen, erin klimmen. Ik ben zo laf dat ik vaker omhoog ga dan naar beneden, alsof ik hier niet wil zijn. Ik kijk op jou neer, je bent klein en miezerig, een mier met een kapsel, donkere wenkbrauwen en ogen die hun licht weerkaatsen op het ijs waarover je van deze hoogte heen lijkt te glijden. Ik ben een ster aan het firmament, een zon die zal blijven schijnen tot het voorbij is in de wetenschap dat we niks weten en niks voorbij zal gaan.

Lieve vriend, dat ik je niks zeg en jij mij ook niet, betekent niet dat we geen vrienden zijn. Ik heb je hart gestolen, hij ligt bloederig naast me in bed. Ik zal weldra in slaap vallen en alles: jij, ik, jouw geest, jouw ziel, jouw bloed en dat van mij – alles zal zijn nutteloze nut hebben.

Ik werd wakker met een smaak van ijzer en de geur van jouw leven van voordat onze paden elkaar kruisten. Ik ben je eeuwig dankbaar.

1

Alles is volslagen zinloos. Ik schommel in gedachten mee met mijn autistische buurjongen, zijn silhouet zwiept steeds weer boven een auto uit die voor mijn raam geparkeerd staat. Hij is een met houtskool getekend wezen in een donker sprookje in het donker, het bewegende uitgeknipte figuurtje op een stokje – of de schaduw daarvan – in een Balinees schimmenspel dat door mijn met witte bloemen bestickerde ruit schijnt. Ik mag naar buiten kijken, niemand naar binnen. Wat zouden ze zien als ze onverhoopt toch tussen de witte plakrozen door zouden turen? Een jongen, een man, een jochie, een hoopje mens achter zijn laptop welke hij wanhopig op zijn schoot houdt, zijn enige houvast.

Ik haal diep adem, probeer moed te verzamelen, probeer te begrijpen wat ik zie, denk, voel en wat me te doen staat, wat de volgende stap zou moeten zijn. Van de ene toets naar de volgende; dat zijn geen stappen of stapjes, het is het tikken van mijn binnenste: de onrustige warboel die zich niet wil laten uiten, of iets daarachter wat die warboel warrig maakt. Ik ben het niet, volgens mij.

Iemand vraagt mijn aandacht, een piepje. Laat mij alsjeblieft zwelgen in mijn naarbinnengerichtheid, daarom zit ik hier, daar heb ik zojuist voor gekozen; dat is al heel wat, een keuze maken in plaats van tussen de mogelijkheden blijven. Hij schommelt nog. Hoelang zou hij doorgaan die arme ziel – hij is net zo arm als alle anderen en ik voel mij nog armer. Als ik het lef had, als ik het zou kunnen opbrengen, als alles anders zou zijn geweest, als de omstandigheden, de gewoonten, de normen, als de stemmen die mijn stem in mij, mij anders zouden hebben beïnvloedt vanaf het moment dat ik een beïnvloedbare entiteit ben, een programmeerbaar vleesgeworden belofte ben, als alles anders op me had ingewerkt, als ik mezelf op een andere manier zou hebben waargemaakt, dan zou ik misschien ook naar buiten zijn gegaan en me onbekommerd door de lucht laten zoeven als een blij kind.

Nu verschans ik mij hier en hoop ik dat er niemand langs loopt die mij in een onschuldige reflex door mijn gecensureerde raam ziet zitten en me aankijkt; hij zal van zichzelf schrikken, zichzelf veroordelen en tegen zichzelf zeggen dat hij daar nooit meer naar binnen zal kijken, dat hij voortaan zijn blik – wanner hij dat huis met die witte bloemen passeert – op de voorbij glijdende stoeptegels gefixeerd houdt terwijl hij zijn passen iets versnelt en zijn handen denkbeeldig rond zijn oren legt om in zichzelf te kunnen prevelen dat hij de juiste weg bewandelt.

– Hij schommelt nog steeds –

Zorgverleners: geen robots die je moet controleren, maar mensen die je moet vertrouwen

Er is iets dat me van het hart moet. Al lange tijd loop ik rond – danwel letterlijk door de duinen, ofwel dolend door mijn geest, vaak tegelijk – met bepaalde opvattingen over hoe wij mensen zich tot elkaar verhouden. Deze dwalingen begonnen al zo aan het einde van mijn studententijd, nadat de liefde mij een dreun verkocht. Langzaam kwam ik bij van mijn verdriet en voelde dat alle fundamenten onder me vandaan waren geslagen. Een bevrijdend gevoel, uiteindelijk, want toen kon ik aan iets gaan bouwen en dat precies zo vormgeven hoe ík het zou willen. Ik sloeg de steunpilaren: Schrijven, Dichten en Optreden in de grond, een vriend hielp me een handje en sloeg Zorg ernaast. Die laatste was mijn baan in de thuiszorg, bood mij zekerheid en lag stevig verankerd in de aarde. Die andere drie reikten weliswaar hoger naar de hemel, maar die moesten nog wel flink de grond in worden geheid wilde ik daar op kunnen vertrouwen.

Ik ben nu gestopt met de zorg en heb weer een flinke klap gekregen – dit keer niet van een meisje, maar van m’n werk – en alles wat ik voor mezelf had opgebouwd ligt voor mijn gevoel aan gruzelementen. Alleen dit keer sta ik er niet alleen voor om ‘mijn huis’ opnieuw op te bouwen. Ik heb nu een vrouw, twee kinderen – kleintjes nog, maar onderschat ze niet – en een flinke dosis levenservaring als man, vader en zorgverlener. De fundamenten die ik nu de grond in wil jassen, moeten geen huis dragen waar alleen ík in kan wonen, maar waar iedereen in mijn omgeving – en die strekt wat mij betreft ver – goed kan vertoeven. Noem me een idealist, want ik wil zeker weten meebouwen aan een betere samenleving. En hier op deze plek, wil ik een begin maken. Want waar begint verbetering anders dan bij het benoemen van het probleem? “Zorgverleners: geen robots die je moet controleren, maar mensen die je moet vertrouwen” verder lezen

‘t

Ik heb ‘t weer gevonden
Aan water vol met lelies
Op een bankje aan een paadje dat
begint waar de weg had moeten eindigen

Het lange gras kietelt mijn kuiten
Hollandse takken boven mij als
pervers bananenblad

De zon wordt opgeslokt
Dempend mos, aardig zand
’t was niet altijd zacht de wandeling

In het bos dacht ik
dat ik verloren was

Het gezegde zegt:
Wie zoekt zal de vliegen van zich afslaan en
dankbaar zijn voor een plek als deze

Luister

Nu je de duinen niet meer inloopt
Tot helmgras massaal de zee toewuift
Wilde bloemen, oranje, wit
Rozenbottels, samengeschoold geel en
Paars dat zo nu en dan de kop op steekt

Nu je het natuurlijk parfum niet meer opsnuift
Nat gras, dennen met
Onzichtbaar lavendel
Ongrijpbaar vermengd vertrouwen

Nu je geen hitte
Van oost naar west
Koele wind van eb of vloed of
Schaduwen van dichtbegroeide daken

Gezoem, georchestreerd ruisen
Jong gekwetter van verscholen honger
Gefladder rondom jouw onophoudelijke denken
meer herkent

Luister

 

 

– Het absoluut gehoor van jouw herinnering  –