1

Alles is volslagen zinloos. Ik schommel in gedachten mee met mijn autistische buurjongen, zijn silhouet zwiept steeds weer boven een auto uit die voor mijn raam geparkeerd staat. Hij is een met houtskool getekend wezen in een donker sprookje in het donker, het bewegende uitgeknipte figuurtje op een stokje – of de schaduw daarvan – in een Balinees schimmenspel dat door mijn met witte bloemen bestickerde ruit schijnt. Ik mag naar buiten kijken, niemand naar binnen. Wat zouden ze zien als ze onverhoopt toch tussen de witte plakrozen door zouden turen? Een jongen, een man, een jochie, een hoopje mens achter zijn laptop welke hij wanhopig op zijn schoot houdt, zijn enige houvast.

Ik haal diep adem, probeer moed te verzamelen, probeer te begrijpen wat ik zie, denk, voel en wat me te doen staat, wat de volgende stap zou moeten zijn. Van de ene toets naar de volgende; dat zijn geen stappen of stapjes, het is het tikken van mijn binnenste: de onrustige warboel die zich niet wil laten uiten, of iets daarachter wat die warboel warrig maakt. Ik ben het niet, volgens mij.

Iemand vraagt mijn aandacht, een piepje. Laat mij alsjeblieft zwelgen in mijn naarbinnengerichtheid, daarom zit ik hier, daar heb ik zojuist voor gekozen; dat is al heel wat, een keuze maken in plaats van tussen de mogelijkheden blijven. Hij schommelt nog. Hoelang zou hij doorgaan die arme ziel – hij is net zo arm als alle anderen en ik voel mij nog armer. Als ik het lef had, als ik het zou kunnen opbrengen, als alles anders zou zijn geweest, als de omstandigheden, de gewoonten, de normen, als de stemmen die mijn stem in mij, mij anders zouden hebben beïnvloedt vanaf het moment dat ik een beïnvloedbare entiteit ben, een programmeerbaar vleesgeworden belofte ben, als alles anders op me had ingewerkt, als ik mezelf op een andere manier zou hebben waargemaakt, dan zou ik misschien ook naar buiten zijn gegaan en me onbekommerd door de lucht laten zoeven als een blij kind.

Nu verschans ik mij hier en hoop ik dat er niemand langs loopt die mij in een onschuldige reflex door mijn gecensureerde raam ziet zitten en me aankijkt; hij zal van zichzelf schrikken, zichzelf veroordelen en tegen zichzelf zeggen dat hij daar nooit meer naar binnen zal kijken, dat hij voortaan zijn blik – wanner hij dat huis met die witte bloemen passeert – op de voorbij glijdende stoeptegels gefixeerd houdt terwijl hij zijn passen iets versnelt en zijn handen denkbeeldig rond zijn oren legt om in zichzelf te kunnen prevelen dat hij de juiste weg bewandelt.

– Hij schommelt nog steeds –

Eén gedachte over “1”

  1. Hoe mooi geschreven. Er overvalt mij nu wel een zwaarte en ik vraag me af, komt die van buiten of zit die gewoon in mijzelf. Is het de waan van de dag die op me af komt, de problemen die ik niet kan verhelpen of is het de knoop in mij die ik met mijn vingers niet kan ontwarren maar wel met mijn hoop op morgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.