26 mei 2015

Ik zit in de keuken in een houten huisje. De afgewassen vaat staat nog onopgebergd in de kleine gootsteen naast de grotere. Een bonnetje van de ‘Coop’ ligt op het aanrechtblad er tegenover. Er is hier niemand thuis. Buiten is het begonnen te regenen. Ik kijk tussen de daken van andere huisjes door uit over een fjord met daar omheen heuvels die dichtbegroeid zijn met bomen; ze vormen bossen met verschillende vlakken in verschillende tinten groen. Nevelwolken hangen tussen sommige delen van de bebossing en de ‘gewone’ wolken, of gaan daar in over. De besneeuwde bergtoppen achter de heuvels zijn daardoor nu niet zichtbaar, maar gisteren toen we met het pondje over het water voeren wel. Het dorpje waar ik zit heet Tingvoll en ligt rondom een van de baaien van het fjord.

Gisteren zat ik nog in een stadje genaamd Trondheim. We verbleven bij Papafahr, een Noorse muzikant en dichter waar we via ‘Couch surfing’ terecht kwamen. Hij haalde ons op van het treinstation met zijn donkerrode Volkswagen busje. Hij was een markant figuur. Hij had grijze dreadlocks en was zeer ‘relaxed’ wanneer hij ergens op antwoordde, soms waren halve zinnen of wat gemompel voldoende voor hem. Hij woonde in een flatje waarin alleen het noodzakelijke te vinden was; zoals een koelkast, een wasmachine en droger inéén, een bank, gitaren en een eigen muziekstudiootje. Aankleding, schilderijen, meubels, kussentjes, gordijnen of andere versieringen die je in een huis met vrouw aantreft, ontbraken. Die vrouw dus ook, die woont in Zweden, net als zijn vier kinderen. Onder het genot van een glaasje whiskey vertel ik dat ik ook een vrouw en kinderen heb. Ik had hem daarvoor al een reeks vragen gesteld over zijn kunstenaarschap en zijn ouderschap en of dat elkaar soms in de weg zat. Maar hij antwoordde heel droogjes dat hij geen behoefte had om te creëren toen zijn kinderen jong waren. Om hen te zien opgroeien en zich te verbazen over de fantasie die uit hen kwam, was genoeg voor hem, de creativiteit ging wel door in zijn hoofd zei hij, waarbij hij even op zijn achterhoofd klopte met een vlakke hand, “I just store it in here.”

Maar nu vroeg hij toch ineens: “Does your wife support you?”
“Yes, she does,” zei ik.
“That’s important,” zei hij.
“I know.”
Hij nam een trek van zijn sigaret, nam nog een slok whiskey en zei toen: “That’s what went wrong with me.”

Twee dagen daarna had Ted zijn laatste optreden van zijn tour door Scandinavië. Hij moest spelen in ‘Antiquariate’; een soort antiquariaat met twee café’s erin. Je kwam binnen in de eerste bar. Daar kon je eten, drinken en studeren en lezen. Veel studenten kwamen hier. Als je een lange hal doorliep, kwam je via een zijdeurtje in een grotere bar. Deze ruimte was omgeven door boekenkasten, ook in de eerste stond een grote boekenkast overigens. Overal stonden kleine tafeltje met stoelen eraan en achterin was een podium. Het zag er allemaal erg literair uit en aangezien er na het optreden van Ted ook een open podium was moest ik als dichter toch wel iets voordragen vond ik. Ik vertaalde op een papiertje snel een gedicht naar het Engels en besloot een ander gedicht ter plekke op het podium te vertalen. Ik vroeg Chris, de manager, of het oké was als ik wat voordroeg en voor ik het wist kondigde hij me aan.

Na afloop raakte ik in gesprek met een Noorse Sociologie studente. Ik vertelde haar dat ik het grotere verhaal van de zorg wilde vertellen. Over de eenzaamheid, over het verdwijnen van familiebanden, over het gebrek aan contact, aan ‘echt’ contact, dat ook ik op een gegeven moment soms niet meer kon maken in de economische en op efficiëntie gerichte systemen die steeds meer menselijkheid opslokten. Ze begreep het helemaal, net zoals toen ik op het podium werd toegejuicht omdat ik me stoorde aan de “economic approach,” Ik deed een poging om het uit te leggen, maar kwam niet veel verder dan “In the end, we’re all just humans.”

Zij zei dat dat boek wat ik wilde schrijven ook echt aan zou slaan in Noorwegen en Zweden, want hier gebeurde hetzelfde. Ik vroeg haar of ze de Noorse schrijver  Karl Ove Knausgård kende. Die kende ze wel.
“And what do you think of him?”
“Well I don’t know him that well, but I think he’s an egocentric kind of person.”
Ze praatte wat in het Noors tegen een vriend die met haar mee was.
“Yeah, he’s kind of a sleasback, a bit after the money,” zei hij.

Ik merkte dat elke keer als ik zijn naam noemde hier in dit land, dat er iets gebeurde. En meestal was het negatief. De eerste keer dat ik zijn naam noemde was in de trein van Stockholm naar Oslo. De grenspolitie vroeg naar mijn paspoort. Ik wist niet waar ik hem had gelaten en begon te zoeken in mijn backpack. Ondertussen controleerde ze die van Ted. “Nederlandse,” moest ze gelezen hebben, want ze vroeg ineens of we ‘iets’ bij ons hadden. Ze begon een praatje met ons, duidelijk met de intentie om te kijken wat voor vlees ze in de kuip had, of in de wagon in dit geval. Toen vroeg ik haar of ze de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård kende.
“Knausgård?”, vroeg ze in haar eigen Noorse accent.
“Yeah,” zei ik.
“He’s a maniac.”

Zelfs Papafahr, die goeie ouwe hippie, deze week wordt hij zestig, vond deze Noorse schrijver maar niks. Wie noemt zijn romancycles ook Min Kamp?
“That’s just marketing. I’m not interested in writers like that.”

Geen van allen had zijn boeken gelezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.