29 mei 2015

Tingvoll

Eergisteren liepen we een van de wandelroutes naar de top van een van de vele bergen rondom Tingvoll. Leon zette ons af met de auto. Net toen we bij de voet aankwamen begon het hard te regenen. Het weer is hier zo wisselvallig. Het ene moment kan de zon door de wolken breken, dan kan het zachtjes regenen zonder dat je er echt last van hebt, je wordt niet helemaal nat ofzo, dan kan het weer harder gaan regenen zonder dat het vaak al te lang aanhoudt en je gewoon door kan blijven lopen en dan houdt het weer op.

Vlak voor we uit de auto moesten stappen leek het harder dan ooit te regenen. Ted verwisselde zijn stoffen jas met de waterdichte jas van Leon die hij speciaal voor de Noorse weersomstandigheden had aangeschaft. Ik stelde het uitstappen zo lang mogelijk uit en wachtte tot Ted zijn nieuwe jas had aangetrokken.

Buiten leek de regen minder te zijn geworden en waarschijnlijk was dat ook zo. “In de auto lijkt het harder te regenen, doordat het zo hard op het dak tikt,” zei ik toen we waren uitgestapt.
“Ja, maar het is ook wel wat minder geworden,” zei Wanda.

Achter ons keerde Leon de auto, reed weg en toeterde een beetje half. We begonnen aan onze tocht. Al na twee honderd meter stonden we stil bij een oud wrak van een graafmachine, de zon was volledig doorgebroken.

“Ik trek even mijn trui uit,” zei Wanda. Ze deed haar kleine rode backpack af, ritste haar jas open, deed hem uit en vroeg mij om hem even vast te houden. Toen trok ze haar trui uit, daaronder had ze nog een dun truitje. Ik gaf haar jas terug. “Ik trek ook even één van mijn twee truien uit.”
“Heb je twee truien aan?”, vroeg ze.
“Ja, nou ja, die tweede is maar een dunne, zoiets als wat jij nu aanhebt.”

Zij deed haar uitgetrokken trui in haar tas en rolde haar jas op en hing deze op een bepaalde manier aan haar rugtas. Ik deed mijn trui in de laptop tas, die ik als handbagage had meegenomen voor deze reis, maar waar mijn laptop nu uiteraard niet inzat. Ik besloot mijn jas ook maar uit te laten en trok deze door de twee schouderbanden en deed hem weer op m’n rug. Ted liep een stukje voor ons uit, wij volgden.

We liepen de hele tijd over een pad van aarde en kiezels en stenen, af en toe was het wat modderig. Aan weerszijden was er bos, met links van ons een wand omhoog en daar bovenop bomen en rechts de loofbomen die wat lager dan ons heuvelafwaarts begonnen, maar ver boven ons uit torende. Het zonlicht scheen door de ruimtes tussen de stammen door.

Na nog eens tweehonderd meter begon het weer te regenen. “Nou,” zei ik lachend tegen Wanda, “je kan je jas weer aantrekken.” En ze trok haar jas weer aan. Ik hield die van mij uit, in de hoop dat de regen over zou gaan en dat deed het, want na twee keer de bocht te zijn omgegaan brak de zon weer door. We stonden stil op een plek waar een heel vlak met bomen was omgekapt, hierdoor kon je al mooi neerkijken op het dorpje Tingvoll, dat we steeds verder onder ons lieten. De huisjes rond de baai van het fjord en de heuvels eromheen bleven het een mooi plaatje maken, vooral nu in het zonlicht.

We liepen verder tot we bij een paal kwamen die aan de top rood was geverfd, ten teken dat de route daar verder liep. “We kunnen hier eerst even rechtdoor gaan,” zei Wanda, “daar is een soort huisje waar je in het weekend ook koffie kunt krijgen. Ik denk dat het nu dicht is, maar misschien is het wel leuk om even te zien.”

De weg ernaar toe was flink drassig. Als je over het lange gras liep, zakte je er een stuk in weg waardoor je soms verder dan je schoenzolen in het water kwam te staan. Tussen het gras lag een pad van aarde en modder en diepe plassen water. Er waren wel kleine en grotere kiezels neergelegd, om het meer begaanbaar te maken, soms moest er ook een auto overheen zei Wanda. Zij zocht naar wat gegroepeerde kiezels en stenen en stukjes aarde waar het nog hard was om haar voeten op te kunnen zetten en baande zich zo een weg naar de zijkant van het pad waar het gras wat hoger lag en daardoor minder drassig. Ik volgde haar. Ted liep zijn eigen weg, over het zompige gras ver van het pad.

Het huisje was verlaten. In de winter vertrokken hier ook wel langlaufers vandaan, zei Wanda. We gingen op een bankje zitten op de overdekte veranda. Het weer was prachtig, de zon scheen volop. Ted at een appel. Ik at eerst een banaan en begon toen ook aan een appel. We praatten over de liefde en haar ondoorgrondelijke wegen.

Toen we opstonden begon het weer te regen. “Nou lekker,” zei Ted lachend, “we hebben even gescholen voor de zon en nu gaan we weer verder.”

Vanaf de paal met de rood geverfde kop werden de paden steeds uitdagender. Op sommige plekken was het zo drassig en nat, met kleine plassen en stroompjes water, dat mensen er grote houten balken hadden neergelegd om zulke stukken makkelijker te kunnen overbruggen. Ted liep voorop en kwam als eerste bij een plas waar drie grote stenen in een driehoek in lagen met daarachter meteen twee houten balken achter elkaar. Toen hij aan de overkant was, keek hij toe hoe wij het er vanaf brachten.

Na het balanceren, het ploeteren door het moerassige landschap, waarbij je telkens goed oplette waar je je voeten zette – op boomwortels die soms glad waren, op keien, op stukken gras die droog genoeg waren of op de rotsten die zich steeds meer ontblootten tussen het mos en alles wat erop groeide – werd het steeds steiler en liepen we steeds meer over de naakte bergwand. “We zijn er bijna,” zei Wanda, “je kunt het nog niet zien, maar het is niet ver meer”.

We moesten nog over twee balken balanceren, die nu soms over wat diepere kuilen lagen, maar niet zo diep dat het echt eng was. “Daar is het,” zei ze en ze wees naar een stapel stenen met daarop een wapperende Noorse vlag. We bereikten de top en natuurlijk was het daar prachtig. Je keek uit over verschillende heuvels en bergen, sommige bovenaan bedekt met sneeuw, sommige helemaal groen in de vorm van een reuze schildpad die met alles wat er op zijn rug zat zou kunnen wegzwemmen om aan een naderende storm te ontkomen, zoals in die aflevering van Alfred Jodokus Kwak.

De zon scheen, het ging regenen, een beetje hagelen, toen weer regenen en toen scheen de zon weer. Ik wilde een driehonderdzestig graden panorama foto maken, maar dat kon mijn telefoon niet.

Ja zeker, het was mooi. Je zag hoe uitgestrekt het land was, hoe groot, en hoe klein jij was en hoe klein wij waren met onze huisjes en autootjes en bootjes. Wanda had hier met Leon een keer een tentje opgezet en toen zagen ze het noorderlicht met zijn prachtige kleuren en ze zagen hoe de zon opkwam boven de wolken. “Het was zo mooi,” zei Wanda, “het was gewoon niet te bevatten, zelfs daarna moest ik het nog verwerken.”

Ja zeker, het was hier heel mooi. De natuur, de bergen, de heuvels en de fjorden. Ik hoef maar naar buiten te kijken vanuit dit houten huisje en ik zie een plaatje. Het water in de baai, waarop de voorste helft nu lichter is dan het water waarop het licht anders valt. De huisjes tussen de bomen op de heuvel erachter en de besneeuwde bergtoppen die daar weer bovenuit torenen en verdwijnen in de wolken.

Maar toch, er blijft iets wat mooier is. Waar geen van de dingen die ik tijdens mijn reis ben tegen gekomen, tegenop kan. Niet de bijzondere en mooie mensen die ik heb ontmoet, noch de prachtige natuur in en rondom het plaatsje Tingvoll.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.