7

Voor ik het tussendoorpaadje nam, begroette ik mijn vriend. Hij was vanavond zo aanwezig, alsof hij me naar buiten riep. Voorbij de rijtjeshuizen dook hij meteen weer op, ik groette nogmaals, liep verder in de wetenschap dat hij me achtervolgde en zag vervolgens het ene na het andere merkwaardige verschijnsel: creaturen met wapperende bontjassen, glimmende of doffe vachten, klein, groot, maar altijd op vier poten waarmee ze lange gestalten achter zich aantrokken. Als er een mijn kant opkwam stak ik meteen schuin de weg over, semi-nonchalant, keek even in de schaduw onder de rand van een hoed van een meegtrokkene, angstig als ik was voor hun leiders.

Om de hoek kwam er geluid uit enkele eenlingen die zomaar uit het bos kwamen rijden, het klonk hard en schel. Die gedachte alleen al doorbreekt mijn droomtoestand, o ja, ik bedacht dat dat mijn voorland moest zijn, ooit een oor af te moeten snijden.

Er ging van alles langs me heen, voornamelijk lucht; of ging onder me door: bobbeltjes, gekraak. Ik stapte over een bronzen weg, zag er aan de overkant weer twee staan wachten op een kakkend baasje.

Zet een bouwlamp achter een organisch gegroeide kerk als het ware als spotjes gericht op een monumentale zilverfabriek en je hebt een museumpronkstuk, kunst, en het is nog driedimensionaal en in beweging ook. Vooruitgang is logischerwijs een illusie. De dichter die in drie dimensies probeert te schrijven is gedoemd naar het goddelijke te grijpen en sneller dood te gaan dan de rest.

Droomlopen, dat is wat ik doe. Af en toe opende ik m’n ogen zonder dat ze dicht zaten en zag ik weer flarden uit mijn psychedelische trip alsof ik iets had ingenomen wat nooit meer zal uitwerken. Een dak dat ritselend en licht deinend over me heen hing, goudgekleurde beelden die zich vanuit de grond naar de sterrenhemel vertakten. En daar was hij weer, godsamme.

Het laatste stukje tot mijn voordeur bedacht ik dat de verbeelding zo overgewaardeerd is. Iedereen heeft het, behalve ik en ik moet daar mee zien te leven en ja, dat is vaak verdomd lastig. Gelukkig heb ik een grote vriend die zich verschillend manifesteert en als hij me laat lachen – zoals op het kruispunt vlak voor huis waar ik het niet kon laten om toch weer even omhoog te kijken – verschijnt er een grote grijns op mijn bakkes. Niemand die het ziet maar geloof me, die lach is er op zo’n moment echt niet opgetekend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.