Op één been

20131012-141159.jpg

“Wil je een lekker bakje koffie?”, vraagt mevrouw. Ze staat in haar nachtjapon en ik heb m’n jas nog aan. “Ja lekker,” antwoord ik, met de hoop wat te kunnen ontnuchteren van mijn slaapdronkenschap. “Sorry, maar ik heb geen lekker stuk vlaai voor je.” Gelukkig maar denk ik, het is immers kwart voor acht `s ochtends. “Ik heb anders wel een gevulde koek voor je. Of neem er lekker twee joh.” “Nou, eentje is goed hoor.”

Mijn jas hangt inmiddels aan de kapstok. “Hoe gaat het met uw dochter?”, vraag ik terwijl zij nog wat zit te stoeien met haar Senseo-apparaat. “Nou, het gaat niet goed. Van de vijf tenen die ze nog over had, hebben ze er alweer drie af moeten halen. Er is zelfs kans dat ze dat been nu ook kwijtraakt.”

“Jeetje, nee, dat is niet zo best.”
“Begrijp jij nou hoe het zover heeft kunnen komen?”
“Nou ik ben geen dokter of specialist, maar u vertelde me dat uw dochter niet zo gezond leeft. Ze weegt toch meer dan honderddertig kilo?”
“Ja dat is ook zo. Vriendinnen van mij zeggen ook wel dat het haar eigen schuld is. Maar dat wil je niet horen over je eigen dochter.”

We zitten in de woonkamer aan de koffie. Ik eet mijn gevulde koek. De telefoon gaat. Het is haar dochter. Ze voeren een kort gesprek waarbij mevrouw ernstig kijkt. Misschien moet haar overgebleven been er toch wel helemaal af, denk ik meteen.

“En?”
“Ze vraagt of ik een saucijzenbroodje voor d’r mee wil nemen”
“Wat!?”
“Ja, ik vroeg ook of ze dat wel mocht van de zusters, maar ze zei van wel.”

“Gaat u het doen?”, vraag ik terwijl ik weer naar mijn jas loop. Inmiddels heb ik haar steunkousen aangetrokken. “Ja, wat moet ik dan? Ik vind het anders ook zo zielig voor d’r. Neem nog lekker een paar chocolaatjes mee voor onderweg.” Voor ik wat kan zeggen, stopt ze twee handen vol met glimmende papiertjes in mijn jaszakken.