Avondroute

 

ondergaande-zon-in-istanbul

Als ik van huis wil vertrekken zijn de militaire vliegtuigen met de nog onbekende lichamen net geland. Ik zie een houten kist door acht mannen in uniform gedragen worden. Ik geef mijn vrouw en twee dochters een kus. “Tot vanavond.”

Het is vijf uur als ik bij mijn eerste cliënt aankom. Uit de woonkamer hoor ik dat er veertig rouwwagens zijn gevuld.

“Wat een ramp hè,” zeg ik tegen de man van de vrouw die ik kom helpen. Tegelijk druk ik een antistollingstablet uit een strip. “Ja,” zegt hij, “ongelooflijk.” Mevrouw kijkt mij emotieloos aan.

Bij mijn tweede cliënt staat de tv ook aan.

“Ik heb net pas twee krentenbollen uit de vriezer gehaald. Ik heb niet zo’n trek. Vandaag was ik in het ziekenhuis. Morgen moet ik weer. Ze gaan kijken waarom dit gezwel in mijn nek zo dik is.”

Ik kijk naar haar nek. Het is inderdaad dik. Ik werp een blik op haar scherm.
“Erg hè,” zeg ik.
“Toen ze de eerste kist uit het vliegtuig haalden had ik het wel even moeilijk. Gek genoeg heb ik geen kleine kistjes gezien. Voor kinderen hebben ze altijd een kleine kist dacht ik.”
“Ik weet het niet.”
“Er zaten zelfs baby’s aan boord.”

Mijn derde cliënt is bijna doof en halfblind.

“Warm hè,” roep ik.
“Wat?”
“Warm!”
Hij knikt.
“Ik zat vanmiddag op het strand met m’n kinderen,” zeg ik langzaam met flink volume. Tegelijk beeld ik met mijn rechterarm de lengte van mijn dochters uit.”
“Wat?”
“Mijn kinderen!”
“Jouw planten.”
“Nee, mijn kinderen.”
“Ja, ja. Wat zijn het? Hortensia’s?”

Ik trek zijn steunkousen uit. Ondertussen praat hij door over mijn kroost.

“Je moet ze goed water geven hoor, met dit weer.”

Mijn vierde cliënt heeft volgens mij geen televisie. Toch begin ik over de ramp.

“Ja, het is verschrikkelijk. Er zaten hele gezinnen in dat toestel.”
“Ja, ik hoorde net van iemand dat er ook een opa en oma met twee kleinkinderen in zaten. Dan ben je in één keer je kinderen en je ouders kwijt.”

Bij mijn vijfde cliënt staat de uitzending van de publieke omroep weer op. Er wordt geen commentaar bij gegeven.

“Ik heb hem net even op RTL 4 gezet, maar je ontkomt er niet aan. Het is overal hetzelfde. Ik wil er eigenlijk niet meer naar kijken.”

Mevrouw heeft net haar zus verloren. Zij zat altijd naast haar in de stoel die nu leeg is. Kort daarvoor overleed een broer van haar. Door haar hele huis hangen elf portretten van overleden broers en zussen. Twee overleden na een bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar vader moest de lijken van zijn dochters zelf identificeren. Ook deed hij hun kleding uit. Zij, als oudste dochter, moest het bloed eruit wassen.

Mijn zesde cliënt zit verscholen achter een zwart beplakt raam. Dat is overigens altijd zo. Ik weet zeker dat zij ook naar de uitzending zit te kijken. Ze doet niet open.

Mijn zevende cliënt.

“Wat ben je vroeg. Het is zeven uur, ik kom net uit m’n bed.”
“Het is zeven uur ’s avonds,” zeg ik.

De rouwstoet rijdt nog altijd langzaam verder. Ik trek meneer zijn steunkousen uit en smeer zijn benen in.

Mijn achtste cliënt heeft er net een reeks bestralingen opzitten. Hij heeft een tumor in zijn hoofd. Zijn vrouw doet open en laat me binnen.

“Wat een mensen,” zeg ik, “moet je kijken.”
Meneer komt de woonkamer in lopen.
“U hoeft zeker geen pyjama aan. Het is zo warm vandaag.”
“Nee. Ga jij maar lekker schrijven, ik kruip zo m’n bed weer in.”

Mijn negende bezoek is weer bij mijn eerste cliënt. Terwijl ik mevrouw van onderen was, rijden de laatste wagens het militaire terrein in Hilversum op. Daar zullen de lichamen door forensische experts worden geïdentificeerd.

Als ik haar nachtjapon heb aangetrokken, waggelt ze naar haar bed. Op tv
klinkt pianomuziek. Als een onbeholpen kind, in een stram en te oud lijf, klimt ze onhandig op haar matras. Ik dek haar toe en wens haar welterusten. Het is kwart voor acht.

Mijn negende cliënt.

“Heeft u gekeken naar de rouwstoet?”
“Ja. Ik snap niet waar ze al die wagens vandaan halen. Andere begrafenissen zullen toch ook gewoon doorgaan.”

Bij nummer tien staat de tv luid aan met RTL Boulevard. Peter R. de Vries probeert zich in te denken hoe het zou zijn om in een vliegtuig te zitten met je I-padje, een krantje of een filmpje en dat er dan ineens een raket inslaat. Of je dan nog de hand van je partner vastpakt.

Met mijn elfde cliënt loop ik langs haar slaapkamer. Daar staat de tv aan. Ik zie dat
de ceremonie alweer wordt herhaald. We gaan zitten in de woonkamer.

“Erg hè dat vliegtuig?”
“Ja verschrikkelijk. Hele gezinnen met kinderen zaten erin.”
“Ik had er ook in kunnen zitten,” zeg ik, “met m’n vrouw en twee dochters.”

Mijn twaalfde cliënt probeert een sigaret op te steken.
“Moet ik helpen?”
“Ja graag.”
Ik geef haar een vuurtje. Op tv draagt de stadsdichter van Utrecht een gedicht voor. We luisteren zwijgend naar zijn voordracht.

Ik vraag mijn dertiende cliënt of ze nog heeft gekeken.

“Ja, verschrikkelijk. Maar er storten wel vaker vliegtuigen neer hoor. En in het verkeer vallen ook dagelijks doden. Niet dat het daarom minder erg is.”
“Maar die zijn niet uit de lucht geschoten.”
“Helaas jongen, in oorlog gebeuren dat soort dingen.”

Nummer veertien en vijftien zijn een echtpaar. Het is tien uur geweest als ik bij
hun binnenstap.

“Het is vandaag een nationale rouwdag hè,” zeg ik als ik met meneer de
slaapkamer inloop.

“Ja, maar ik vind het wel taai hoor, die televisie.”

“Wat vindt u ervan?” Vraag ik aan zijn vrouw, nadat ik meneer heb geholpen
met omkleden.
Ze zit in haar stoel, zoals altijd naast het raam, schuin tegenover de televisie die nog aanstaat. Naast haar ligt een puzzel van duizend stukjes. Al maanden ligt hij daar, net zo onaf als altijd.

“Wat je ervan vindt mams?” Vraagt haar man terwijl ik haar benen invet.
“O, dat. Nou laat ik het zo zeggen. Het is overal ellende. Zo is het altijd al geweest.”

Eén gedachte over “Avondroute”

Reacties zijn gesloten.