Zorgverleners: geen robots die je moet controleren, maar mensen die je moet vertrouwen

Er is iets dat me van het hart moet. Al lange tijd loop ik rond – danwel letterlijk door de duinen, ofwel dolend door mijn geest, vaak tegelijk – met bepaalde opvattingen over hoe wij mensen zich tot elkaar verhouden. Deze dwalingen begonnen al zo aan het einde van mijn studententijd, nadat de liefde mij een dreun verkocht. Langzaam kwam ik bij van mijn verdriet en voelde dat alle fundamenten onder me vandaan waren geslagen. Een bevrijdend gevoel, uiteindelijk, want toen kon ik aan iets gaan bouwen en dat precies zo vormgeven hoe ík het zou willen. Ik sloeg de steunpilaren: Schrijven, Dichten en Optreden in de grond, een vriend hielp me een handje en sloeg Zorg ernaast. Die laatste was mijn baan in de thuiszorg, bood mij zekerheid en lag stevig verankerd in de aarde. Die andere drie reikten weliswaar hoger naar de hemel, maar die moesten nog wel flink de grond in worden geheid wilde ik daar op kunnen vertrouwen.

Ik ben nu gestopt met de zorg en heb weer een flinke klap gekregen – dit keer niet van een meisje, maar van m’n werk – en alles wat ik voor mezelf had opgebouwd ligt voor mijn gevoel aan gruzelementen. Alleen dit keer sta ik er niet alleen voor om ‘mijn huis’ opnieuw op te bouwen. Ik heb nu een vrouw, twee kinderen – kleintjes nog, maar onderschat ze niet – en een flinke dosis levenservaring als man, vader en zorgverlener. De fundamenten die ik nu de grond in wil jassen, moeten geen huis dragen waar alleen ík in kan wonen, maar waar iedereen in mijn omgeving – en die strekt wat mij betreft ver – goed kan vertoeven. Noem me een idealist, want ik wil zeker weten meebouwen aan een betere samenleving. En hier op deze plek, wil ik een begin maken. Want waar begint verbetering anders dan bij het benoemen van het probleem? “Zorgverleners: geen robots die je moet controleren, maar mensen die je moet vertrouwen” verder lezen

Je ne suis pas Charlie

Ik ben Sander Ritman.

Ik ben De Verpleegpoëet.

Ik werk in de thuiszorg.

En ik schrijf.

Ik schrijf waar ik over wil schrijven.

Ik schrijf over de dingen die mij verwonderen.

Zoals de ontmoetingen met mijn cliënten.

Gisteren liep ik een avondroute.

Ik vertelde een meneer over het boek dat ik heb gemaakt.

“Toch niet met cartoons?”

“Nee, met verhalen.”

“Nou, kijk toch maar uit. Er bestaat geen krachtiger wapen dan de pen.”

“Ach ja, waar moet ik nou bang voor zijn? Voor een paar oudjes die mij met hun wandelstok achterna zullen komen?”

Als ik thuiskom die avond zie ik voor het eerst het beeld van de agent die in koelen bloede wordt neergeknald.

Om eerlijk te zijn, sommige verhalen durf ik niet aan sommige cliënten voor te lezen.

Ik ben zelfs bang dat ze het onder ogen zullen krijgen.

Wat een lef moet Charlie gehad hebben.

Boekpresentatie De Verpleegpoëet

Gisteren heb ik het eerste exemplaar van mijn boek uitgereikt aan mijn vrouw. Er waren meerdere gegadigden. Zoals mijn oma, die zich helaas op het laatste moment ziek moest melden. Of Karsten Klein, de Haagse wethouder van de zorg, die toch niet kon schuiven binnen zijn agenda. Uiteindelijk viel alles op z’n plek. Want wie heeft mij en mijn verhalen intensiever begeleid dan zij.

Het voorprogramma werd verzorgd door mijn goede vriend Ted Griffioen. In mijn aankondiging vond hij dat ik zijn lat een beetje te hoog neerlegde. Hij babbelde hem naar beneden, maar zong hem vervolgens de hemel in. Aan mij de taak om er weer overheen te springen. Gelukkig werd ik gelanceerd door mijn muzikale vrienden Rob en Rik, die mijn voordracht tot aan het dankwoord begeleidden.

Mijn boekpresentatie durf ik gerust één van de mooiste dagen uit mijn leven te noemen. Sommige aanwezigen vergeleken het met een huwelijk. In mijn openingsspeech vergeleek ik het boekproces al met een zwangerschap en bevalling. Aan het eind vertelde ik mijn vrouw: “Dit is ook jouw kind.” Je begrijpt, de voorstelling was een kleffe tearjerker die je absoluut niet had mogen missen.

De boekjes vlogen na afloop dan ook als warme broodjes over de toonbank. Veel mensen kochten er niet alleen voor zichzelf eentje, of zelfs niet eens, maar ook voor een ander. Er schijnt binnenkort voor velen een gelegenheid aan te komen om iets cadeau te geven. En ik maar signeren voor de moeder van die, de zoon van zus en de broer van een vriend. Gelukkig kreeg ik tijdens mijn eerste signeersessie ooit, hulp van mijn oudste accountant. Mijn jongste pakte iedereen in door lief te lachen en naar ze te zwaaien. Zo zie je dat niets voor niets is.

Wij hebben ervan genoten. Ik wil graag iedereen bedanken die erbij was en in het bijzonder degenen die een boekje hebben gekocht. Dit is voor herhaling vatbaar.

Het boekje is hier te koop

Vader en dochter

 

De Verpleegpoëet in het AD II

“In mijn boek wil ik het niet-meetbare laten zien, de menselijke kant.”

In het AD van gisteren staat een kort interview met mij. Anders dan vermeld in het stukje wordt het boek niet door mij alleen uitgegeven, maar in samenwerking met Hard//Hoofd. De verhalen zijn geredigeerd door hoofdredacteur Jan Postma en redacteur Bart Verbunt. De bundel is voorzien van illustraties door Marleen Krijnen en is vormgegeven door Sanne van de Goor.

Het boek “De Verpleegpoëet” is te koop tijdens mijn boeklancering, maar ook hier te bestellen.

De Verpleegpoëet in het AD II

Reacties van mijn cliënten op het boek

De verhalen uit mijn boek zijn gebaseerd op mijn cliënten in de thuiszorg. Daarom heb ik sommige van hen alvast een boekje aangeboden. Hun reacties wil ik graag met jullie delen.

Deze kreeg ik vandaag, van een mevrouw die gisteren een exemplaar van me kocht:

“Wat heb ik met een plezier je boekje zitten lezen. Ik kan natuurlijk niet zo goed zien en normaal luister ik naar boeken. Met het vergrootglas lezen is extra vermoeiend voor mij. Maar het heeft me geen moment gestoord omdat ik zo in de verhalen zat. Het bracht me zelfs op een idee. Ik wil graag nog zes boeken van je kopen voor onder de boom voor mijn kinderen.”

“Zes boeken? Ja natuurlijk, dat kan.”

“Ik moet zeggen dat ik me na het lezen van je boek wel schuldig voel. Dat jullie bij mij moeten komen, terwijl er mensen zijn die het nog veel meer nodig hebben dan ik. Ik kijk vanaf nu echt met andere ogen naar jullie van de thuiszorg. Ik heb nu nog meer bewondering en waardering voor jullie.”

Ik ben al bijna sprakeloos, maar kan nog net zeggen: “Ja, maar wij zijn ook heel blij dat er mensen zoals u zijn. Dat maakt het ook leuk. Die verschillende mensen.”

“Ik moet zeggen dat er laatst wel een collega van je was die begon over douchen. Ik dacht daar begin ik nooit aan. Maar nu ik dit gelezen heb, besef ik dat het de normaalste zaak van de wereld is.”

Nu krijg ik echt niks meer over m’n lippen. Ik weet niet waar ik moet kijken. Gelukkig kan ze m’n gezicht niet zien. Jaren werk, en echt waar, het is cliché, maar dit is waar je het voor doet.

Klik hier voor meer informatie over de boeklancering

Avondroute

 

ondergaande-zon-in-istanbul

Als ik van huis wil vertrekken zijn de militaire vliegtuigen met de nog onbekende lichamen net geland. Ik zie een houten kist door acht mannen in uniform gedragen worden. Ik geef mijn vrouw en twee dochters een kus. “Tot vanavond.”

Het is vijf uur als ik bij mijn eerste cliënt aankom. Uit de woonkamer hoor ik dat er veertig rouwwagens zijn gevuld.

“Wat een ramp hè,” zeg ik tegen de man van de vrouw die ik kom helpen. Tegelijk druk ik een antistollingstablet uit een strip. “Ja,” zegt hij, “ongelooflijk.” Mevrouw kijkt mij emotieloos aan.

Bij mijn tweede cliënt staat de tv ook aan. “Avondroute” verder lezen

Jehovah’s Getuigen

Ontwaakt

“Hij wil eigenlijk nog even het achtuurjournaal kijken.”

Ik kijk mevrouw aan en zie hoe vermoeid ze eruit ziet. Rood doorlopen ogen, wallen eronder en ze kijkt wat glazig. Ik kijk nog eens naar meneer. Zijn haren staan alle kanten op, zijn gezicht is veel smaller geworden. Ik herken het echtpaar bijna niet meer terug.

De laatste keer dat ik hier was, weet ik dat hun dochter mij een kaartje gaf van een evangelische website. Ik wist toen al dat ze Jehovah’s Getuigen waren. “Jehovah’s Getuigen” verder lezen

Jonkvrouw III

Jonkvrouw

“Hoe gaat het met u?”

“Wil je het echt weten?”

“Ja.”

“Nou ik heb weer veel pijn aan m’n benen.”

“Hoe komt dat?”

“Door die wondjes, dat weet je toch.”

“Ja sorry, ik heb u al een tijdje niet gezien. Hoe gaat het verder?”

“Gisteren bracht ik wat kleding naar een tweedehands winkeltje. Die vrouw wilde mijn kleren niet omdat er volgens haar gaatjes in zaten. Dat liet ze me duidelijk weten terwijl er nog meer mensen in die winkel waren. Ik voelde me zo gekrenkt. Want je weet dat als ik ergens aandacht aan besteed dan is het kleding en er zaten echt geen gaatjes in.”

“Nee, dat is niet leuk. Had u ze niet over het hoofd gezien, die gaatjes.”

Mevrouw kijkt me venijnig aan.

“Jonkvrouw III” verder lezen