Dag 13

pablo neruda

De laatste dagen groeide het gevoel bij me dat ik een geruststellend bericht naar buiten zou moeten brengen. Niet dat ik wist voor wie die boodschap dan bedoeld zou moeten zijn. Zou het voor een vriend zijn, een familielid of gewoon voor een lezer, iemand die ik niet kende, maar die al dusdanig mijn gedachtenwereld was binnengetreden en wilde weten waar ze bleven, die gedachten. Hier waren ze hoor, ze lieten me niet in de steek.

Misschien was de enige die ik gerust wilde stellen mezelf. Dit dagboek was een dialoog, een intiem gesprek met mijn ‘ik’. Alleen ‘ik’ stond in relatie met jou, met de wereld. Of zoals de Vietnamese Zen Boedhistische leraar Thick Nhat Hanh het zei in dit artikel: “We bestaan niet op onszelf alleen, we bestaan alleen in relatie met de ander.”

Mijn “ik” was opgebouwd uit elementen die wij allemaal bezaten. De Boedhistische leraar die ik aanhaalde gaf het voorbeeld van een bloem om dit te illustreren. Een bloem bestaat niet op zichzelf, maar is opgebouwd uit ‘niet-bloem’ elementen zoals water en zonlicht. Ik besta uit ‘niet-ik’ elementen zoals de aarde, de zon, ouders en voorouders. Uiteindelijk waren wij in onze structuur, in ons wezen hetzelfde. Vanuit dit besef kon er compassie zijn, kon er liefde zijn. Als je mij als schrijver en jij als lezer zag als twee mensen die een relatie met elkaar hadden, dan zou je vanuit deze filosofie zien dat mijn lijden jouw lijden was en mijn geluk jouw geluk. Mocht je dit zo zien, mocht je dit begrijpen, spraken we dezelfde taal, niet alleen letterlijk, maar ook op een dieper niveau, dan zou eventueel leed dat ik zou beschrijven je eigen leed kunnen verzachten. Ik zei niet dat ik dat kon. Het kon alleen als wij elkaar zouden begrijpen, als wij elkaar verstonden. Op mijn beurt zou het mijn leed verzachten, als jij mij begreep.

Nu was het zo dat sommige van mijn eerste dagen uit mijn dagboek door sommigen werden begrepen. Dit maakte ik op uit enkele positieve reacties, zoals bijvoorbeeld de reactie van Wouter onder dag 5, waarin hij mij dankbaar was voor ons gesprek, alsof hij door het lezen van het stuk mij had gesproken en sommige dingen van zichzelf erin herkende. Via via was mij echter ook ter ore gekomen dat mensen zich zorgen maakten. Achteraf gezien kon ik het me goed voorstellen. Ik beschreef immers eerlijk en oprecht wat ik dacht wanneer de duisternis zich aan mij opdrong of hoe ik soms gebukt ging onder de alledaagsheid van de dingen. Gezien ik geen teruggetrokken leven leidde, kon het niet anders dan dat deze gedachten, gedachten waren die ik had wanneer ik mij voortbewoog in mijn leefomgeving. Deze bestond voornamelijk uit mijn werk in de thuiszorg en mijn gezin. Ik stond op mijn werk in relatie tot mijn collega’s, mijn manager (god behoede haar) en mijn cliënten. Thuis stond ik natuurlijk in relatie tot Mandy, Gioia en Vita. Al deze relaties leden eigenlijk onder één relatie, en dat was mijn relatie tot mezelf, maar ook visa versa, het was een wisselwerking. Met de wijsheid van nu, met het zelfonderzoek waar ik me de afgelopen dagen aan had onderworpen, ik had mijn dagboek immers niet onderbroken, ik moest om verschillende redenen kiezen om ze niet meer allemaal te openbaren, want zoals ik al eerder zei op een dag was ik bereid om diep te gaan en zoals ik later op een ongepubliceerde dag zei wilde ik geen consessies aan mijn zoektocht doen, was dit het belangrijkste: ademen door te schrijven, mijn woorden laten stromen, op zoek gaan naar de waarheid. En zo hervond ik mezelf en de liefde voor wie ik was: een schrijver. Was ik er nu? Nee! Nog lang niet, voor jouw geruststelling.

4 gedachten over “Dag 13”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.