Dag 17

Ik kon naar een punt in niemandsland staren, daar even in verdwijnen, terwijl er allemaal gedachten tot me kwamen die op dat moment zeer verhelderend waren. Vandaag lag dat punt over de schutting van de buurvrouw, tussen de rij huizen en de takken van bomen uit andere tuinen dan waar ikzelf in stond, in het blauw, onder de zon. Ik dacht dat mensen misschien zouden denken dat ik een narcist was, dat ik mijn blik op mezelf had gericht, blind voor mijn omgeving. En ze dachten: ‘wat gebruikt hij grote woorden als lijden en wat brengt hij het allemaal groots en meeslepend en melodramatisch en wat is hij sentimenteel, ik kan er niet tegen, hij stelt zich en plein public aan, het is om je voor te schamen.’ Natuurlijk wist ik niet zeker of mensen dat dachten, maar alleen de mogelijkheid daarvan raakte me al. Meteen erachteraan dacht ik dat de mensen die mij op een bepaalde manier kenden, die mijn kwetsbaarheid weleens van dichtbij hadden meegemaakt, wisten dat de gevoelens die ik had écht waren en dat die ook meestal betrekking hadden op het leed van anderen. Zo kon ik bijvoorbeeld huilen als ik vertelde over een cliënt die sprak over zijn eenzaamheid, hoe hij brak en hoe écht dat was, hoe dat bij me binnenkwam en hoe het terug halen van die ervaring me opnieuw tranen in mijn ogen bezorgden. Dat was slechts een voorbeeld. Hoeveel ellende had ik afgelopen jaren niet gezien bij mensen door mijn werk in de thuiszorg? Hoeveel geklaag heb ik wel niet aan moeten horen? En de laatste tijd was het alleen maar erger geworden. Niet alleen namen de klachten van cliënten toe in aantal en omvang, maar ook mijn collega’s klaagden en daar hadden ze alle reden toe en ook daar kon ik wel om janken. Er was een stukje menselijkheid verdwenen. Degenen die daar het meest onder leden, dat waren de kwetsbaren, de gevoeligen, zij die niet voor niets dit werk deden. Ik gaf het toe, ook ik behoorde tot die groep. En het gekke was, ik voelde me er schuldig onder. Schuldig over mijn open houding, mijn ontvankelijkheid, het teveel tot me laten komen. Schuldig over mijn gebrek aan professionaliteit, zakelijkheid, mannelijkheid, schuldig aan te weinig muur om me heen en te blauwe ogen die iedereen aankeken en alles wat ze zagen maar absorbeerden. Mijn fysio zei laatst, dat het deel van mijn rug dat zo vast zat en wat pijn uitstraalde naar andere plekken, dat dat verbonden was met het hart. Dat mocht misschien zweverig en sentimenteel klinken, getuigen van weinig rationeel verstand, misschien zelfs wel van een gebrekkig intellect, maar daar moest je wat mij betreft wel een verdomd cynisch mens voor zijn.

Volgens het handboek voor de levenskunst (2004) van Wilhelm Schmid, behoort cynisme tot één van de mogelijkheden hoe om te gaan met een zogeheten ‘angst’ ervaring. Bij een dergelijke ervaring, waar ik eerder in mijn dagboek ook over sprak, vallen alle zekerheden weg, zelfs de zekerheid van wie je zelf bent, maar ook alles waarvan je altijd dacht dat wáár was. Je omgeving kan bedreigend overkomen, omdat anderen wel vasthouden aan hun zekerheden, jij bent de onzekere, maar dan op een heel fundamenteel niveau. De kunst is om deze ervaring, deze toestand, niet als bedreigend te zien, maar ook als een kans om jezelf opnieuw uit te vinden en uiteindelijk opnieuw een positie in te nemen waarin je in zekere harmonie met jezelf en de anderen, de maatschappij, kan leven. Het is eigenlijk ook iets positiefs, want wanneer je deze angst ervaart, heb je de kans om heel diep bij jezelf naar binnen te kijken en kan je ontdekken of herontdekken wie je werkelijk bent en wat je wil doen.

Bij het lezen van het boek, dat ik geheel toevallig uit mijn boekenkast pakte, of was het geen toeval, kon ik niet anders dan mezelf plaatsen in de angst die hij beschreef. En ik zag het ook zeker al iets positiefs. Het beangstigde mij niet. Ik stond juist heel dicht bij mijn gevoel en ik zag alles opeens veel helderder.

Cynisme is een keuze die je kan maken om jezelf tegen die angst te wapenen. Je kiest daarmee voor een houding van onaantastbaarheid. Je behoud je intellectuele voorkomen door op intelligente wijze met alles en iedereen dat jou bedreigt af te rekenen. Jouzelf kan niks gebeuren, je laat jezelf, je ware zelf, immers nooit zien.

Tegenover het cynisme als mogelijkheid, stelt Schmid het kynisme. Een kynisch mens ziet net als een cynisch mens voorbij het oppervlak, hij doorziet systemen en structuren, hij is net als de cynicus behept met een bovengemiddeld intellect. Alleen een kynisch mens zet zijn intellect en fijngevoeligheid in om de problemen die hij ziet ook te willen verbeteren. En dat niet alleen doormiddel van ethische of cynische argumenten, door alleen maar af te geven op de maatschappij of dingen aan te wijzen waarvan hij vindt dat ze moeten verbeteren, maar ook door zelfverwezenlijking, door kritisch naar zichzelf te kijken, zichzelf te onderzoeken en zichzelf te verbeteren en te leven naar zijn nieuw verkregen inzichten om zo het goede voorbeeld te kunnen geven.

Kynisch is de houding om aan het eigen welzijn geen overdreven aandacht te schenken, de eigen aanwezigheid niet als de belangrijkste ter wereld te beschouwen, maar zich, uitstijgend boven het eigen ik, eerder in te zetten voor wie veel meer reden heeft te vrezen voor zichzelf en het leven.

Deze houding was een houding die mij aansprak. Het leek mij menselijk en misschien wel een noodzakelijke houding voor deze tijd. Alleen op welke manier ging ik mij inzetten? Ik had het gevoel dat mijn antwoord dichterbij kwam.

Schmid beschrijft drie fases in de levenskunst. Voorafgaand aan die fases is er een virtueel streven, eigenlijk droom je van wat je zou kunnen. Daarna ga je aan de slag om deze droom te verwezenlijken, je bekwaamt jezelf erin door oefening en herhaling en tot slot verhef je het tot kunst, je maakt iets uitzonderlijks, iets dat het gewone ontstijgt, iets bijzonders. Een meesterwerk? Een levenswerk? Is dat wat ik zag daar over die schutting?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.