Dag 30

Vriend van Pessoa

Ik kan nooit een goede schrijver worden. Ik kan nooit een goed mens worden. Ik zal me scharen onder de cynici en kankerend m’n graf in gaan.

of:

Ik kan niet schrijven wat ik wil schrijven, toch schrijf ik tot wat ik in staat ben te schrijven. Opnieuw en opnieuw zal ik mezelf blijven vergeven.

Ik kan niet leven hoe ik wil leven, toch leef ik. Opnieuw en opnieuw zal ik mezelf blijven vergeven.

Vrij vertaald naar een passage uit Anne Patchett’s ‘This is the story of a happy marriage.’

Ik stond onder de douche. Vita sliep, Gioia zat op school. Net als gisteren en eergisteren bedacht ik hoe gelukkig ik me voelde onder de warme straal water. Ik kon me niks fijners indenken dan hier te zijn. De temperatuur rond mijn lichaam was precies goed. Elk deel voelde aangenaam, mijn spieren ontspanden, mijn ademhaling kalmeerde. Er was geen ruis en geluid anders dan het gedempte gekletter van de druppels die rond mijn voeten neerkwamen. Ik kon hier klaarkomen als ik wilde, ik kon hier plassen als ik wilde, ik kon aan de thermostaatkraan draaien als ik wilde en ik kon denken wat ik wilde en willen wat ik dacht. Ik dacht: ik ga het goed maken.

Ik was mezelf kwijtgeraakt. Zoveel was inmiddels duidelijk. Ik kon er mijn dagboekverhalen op naslaan. Wat stond daar allemaal wel niet in? Zouden ze ooit gepubliceerd gaan worden? Ik hoopte van wel. Waarom wachten tot ik dood was? Ik wilde je teruggeven wat ik van mezelf had afgepakt; de liefde. Ik hief mijn hoofd omhoog en liet het warme water door mijn haren en over mijn gezicht stromen. Ik kneep mijn ogen dicht. Water genas, dat geloofden de oude Grieken al met hun Spa’s, maar ook wij met onze welnesscentra met Turkse stoombaden, sauna’s en kruidenbaden. Bestonden wij niet ook voor het grootste deel uit water? We begonnen in het vruchtwater van de baarmoeder. Baby’s genoten van een lekker warm badje. Ik weet nog hoe ik mijn arm onder het nekje van Gioia hield, ze was nog maar een paar dagen oud. Heerlijk bleef ze dobberen zolang de temperatuur niet te ver zakte. Of ik stond met haar onder de douche. Haar warme lijfje tegen mijn borst geklampt, haar hoofdje rustend op een schouder. Wilden we niet allemaal eeuwig douchen? Zou de hemel niet boven, maar onder warm water liggen?

Ik boog mijn hoofd weer wat naar voren. De straal stond op mijn achterhoofd, ik ging nog iets naar voren en liet het water op mijn nek neerkomen en toen tussen mijn schouderbladen. Ik keek naar de shampoos en douchegels van Mandy en de kinderen, er stond niks specifieks voor mannen, wie moest dat halen? Ik? Ik wilde me niet wassen. Mijn enige activiteit, was de passiviteit. Dat was belangrijk. Dat was een van mijn bevindingen in mijn zelfonderzoek. Ik kon niet alleen maar bezig zijn. Ik moest ook niks kunnen doen. Ik moest mezelf kunnen horen en zien. Ik was al die tijd een goeie observator geweest van anderen, maar zag hierdoor mezelf niet meer. Ik moest met mezelf in gesprek gaan. Ik moest op mezelf reflecteren door goede boeken te lezen die me door de ogen van schrijvers naar mezelf lieten kijken. Ik moest in m’n ziel kijken door te voelen wat ik voelde; dat kon meer aan het oppervlak zitten zoals in de spieren of wervels van m’n rug; of meer van binnen, in dat kloppende maar toch ook abstracte orgaan dat ons diepste gevoel symboliseerde. Het was misschien niet gek dat het echte gevoel, de echte pijn of het echte genot, eerst werd opgemerkt in andere delen van het lichaam voordat we ons bewust werden van ons hart.

Ik keek nu voor me, naar de beslagen glazen douchecabine waarin ik mezelf zwak door de kalkaanslag weerspiegeld zag. Waar was ik toch mee bezig geweest  de afgelopen tijd? Ik verzorgde mijn kinderen, maar voldoening gaf het niet. Ik verzorgde mijn cliënten, maar nuttig voelde ik mij niet. Ik sliep met mijn vrouw, maar liefde, échte liefde was er niet. Het had allemaal één oorzaak: ik hield niet meer van mezelf. Ik voelde me schuldig en daar viel niet mee te leven, tenzij ik het mezelf vergaf en dat begon ik nu te doen. Ik zou het allemaal goedmaken. Om te beginnen hier, op dit papier, op dit scherm waarvan je nu aan ’t lezen bent, dat ben ik, dat zijn mijn gedachten zo goed en zo kwaad als ik op dit moment bij machte ben om ze te kunnen vertalen naar woorden en zinnen in een dialoog met mezelf. Daarna maak ik het goed met de wereld, jawel, ik ben een dromer, dat zal ik altijd blijven, en mijn dromen waren groots, ze waren van mij. Daarin was ik een kynisch mens. Ik zou de mensen blijven helpen, maar dan vanuit een hernieuwd bewustzijn met mezelf en een eigen moraal die ik voortdurend zou blijven toetsen aan nieuwe inzichten en niet vanuit een opgelegde moraal; niet vanuit ethische codes (of juist het ontbreken daarvan) die de maatschappij mij probeert op te leggen; die organisaties mij proberen op te leggen; die anderen mij voorschotelen, die mij vertellen dat je niet moralistisch mag zijn; o nee, kijk eens om je heen, zou ik tegen diegene willen zeggen, dat is waar een leven zonder moraal op afstevent. Ik zou alles ondernemen met de nodige zelfreflectie van tijd tot tijd, door het gesprek met mezelf, maar natuurlijk ook door de dialoog met anderen aan te gaan. Begint het al utopisch, idealistisch en zweverig (onaards) te klinken? Dat is het ook. Het is ook een droom. Maar wel een hele belangrijke en noodzakelijke om het proces gaande te houden dat mij er naartoe beweegt. Want wat is het leven anders, dan een proces, een komen en gaan, geboorte en dood. En wat is een leven zonder zin?

Wat is de mensheid? Een menigte slaven die verknocht zijn aan hun slavernij en niets anders willen. Zolang iemand kan eten, drinken en met een vrouw slapen, en geen aandrang in zichzelf voelt om die dingen met vreemde ogen te bekijken; zolang iemand niet de stem in zichzelf hoort van de geduchte rechter voor wie iedere daad een waarde heeft – zolang kan de mens gelukkig zijn. Geloof mij, hierbuiten bestaat geen geluk.

Uittreksel van: Fernando Pessoa. ‘Mijn droom is van mij’.

Vergat ik nog wat? Gioia. Vita. Mandy. Ja natuurlijk, daar zou ik beginnen. Ineens voelde ik wat open gaan. Het gevoel was zo sterk, dat ik naar voren stapte en het douchewater achter me liet kletteren. Ik zou het goed maken. Ook met de ouderen en mijn collega’s, ik zou ze niet in de steek laten. Morgen had ik mijn laatste dienst in de thuiszorg. Ik zal voor ze opkomen. Zij hebben mij meer gegeven dan ik hen. Ik heb maar gedaan wat er van me gevraagd werd. Niet wat ik van mijzelf vroeg. Ik zal de rekening vereffenen, het heeft tijd nodig, maar ik zal me ervoor inzetten. Ik greep mezelf vast aan de bovenkant van de deur van de douchecabine en voelde hoe er blokkades in mezelf werden opgeheven. Ik was vervuld van liefde, alle pijn was even verdwenen. Ik zou het goed maken. Ik zou straks Vita uit bed halen, Gioia uit school en dan zouden we bloemen gaan halen voor Mandy. Ik zou tegen de bloemist zeggen dat ik de mooiste bloemen wilde, dat hij al zijn kunde en kennis en gevoel in het boeket moest leggen, zijn ziel moest erin liggen, die was van ons allemaal.

Ik stapte de douche uit en keek in de spiegel. Mijn gezicht was rood, mijn ogen bloeddoorlopen. Ik keek dichterbij en het leek alsof de vlek die dit jaar in mijn gezicht was ontstaan was verdwenen, maar waarschijnlijk kwam dat door mijn gloeiende wangen waarin hij even was opgegaan. Het zelfverlies had zijn markering achtergelaten, daar hoefde ik niks voor te doen, daar hoefde ik geen glasscherf voor op te pakken om mee in mijn gezicht te kerven zoals Kar Ove Knausgård deed toen zijn liefde de eerste keer niet werd beantwoord. De mooiste bloemen ja, dat zou ik zeggen, ik zou niet twijfelen, Gioia mocht er ook een paar uitzoeken. Ik dacht aan vanochtend, hoe ze me innig en lang zoende voor ik haar klaslokaal uitging. Dat had betekenis. Een dikke traan bleef onder mijn linkeroog van mijn weerspiegelde zelf hangen, een kleine rolde over mijn wang naar beneden.

Die middag was ik uitgeput. Ik moest doorzetten nu. Ik moest die bloemen halen. Ik moest het goed maken. Met Vita in de paarse kinderwagen en Gioia met haar roze Dora-step stapte ik de bloemist binnen.
 “Wat kan ik voor u doen,” vroeg de vriendelijke verkoper die ik al wel een beetje kende en waar ik een goed gevoel bij had.
 “Ik wil een bos bloemen,” zei ik, “ik wil er zelf wel een paar uitzoeken als dat kan?”
“Ja natuurlijk, zeg maar welke je wil.”
Keuze na keuze moest ik maken. Gioia wilde roze rozen. Dat mocht van mij. Ik koos voor wit en paars en dieproze en ook nog drie rode pioenrozen om het extra bijzonder te maken, dat vroeg ik hem wel: “heb je nog iets wat het écht bijzonder maakt?”

Thuis zocht ik naar een vaas terwijl Gioia begon te zeuren over de speeltuin, of misschien zeurde ze niet eens, ze vroeg het gewoon een paar keer en ze vroeg ook of haar step weer mee mocht. “Ja, ja, ja,” zei ik, “maar ik moet eerst die vaas hebben.” Na de vaas zocht ik de snoeischaar om de steeltjes vanonder mee af te kunnen knippen. Gioia stond in de weg, of misschien niet eens, maar ik vond dat ze in de weg stond en ze bleef doorgaan over die speeltuin en ze zong sinterklaas liedjes, ze was vrolijk, maar het werkte op mijn zenuwen. En toen ineens verloor ik alles weer. Al het mooie, het ontspannen en open gevoel dat ik had onder de douche, alles weg. Ik klapte weer dicht, ik werd boos en Gioia begon te huilen. “Kun je weer blij zijn?” vroeg ze na een lang diep huilen en snikken. Maar ik kon het niet. Ik knipte de steeltjes af met een schaar uit een van de keukenlades. Ik zette de bloemen op tafel. Gioia verstopte zich achter de bank. Ik had de neiging om die bloemen weg te pleuren. Alles was verpest. Ik verschoonde Vita op de commode en gooide haar luier de hal in. Haar grote zus kwam aanlopen en vroeg: “Ben je weer blij?”
Ik ontdooide. “Ja,” verzuchtte ik, “ik ben weer blij.”
“Geef je me dan een knuffel?”

Ik pakte haar op en drukte haar lang tegen me aan. Ik zou het goedmaken, echt waar.

‘Ik voel mij verlaten als een schipbreukeling op volle zee. En wat ben ik anders dan een schipbreukeling? Daarom kan ik alleen op mezelf rekenen. Op mijzelf? Wat voor vertrouwen kan ik hebben in deze regels? Helemaal geen. Als ik ze herlees, lijdt mijn geest, omdat die inziet hoe pretentieus, hoe literair-dagboekachtig ze zijn! Sommige heb ik zelfs gestileerd. De waarheid is echter dat ik lijd. Je kunt net zo goed lijden in een zijden pak als in een zak of kapotte deken gehuld. Meer niet.’

Uittreksel van: Fernando Pessoa. ‘Mijn droom is van mij’.

2 gedachten over “Dag 30”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.