Dag 5

Sinds het schrijven van mijn dagboekverhalen vroeg ik me af hoe ver je zou kunnen gaan met het blootleggen van je persoonlijke leven. Ik was bereid diep te gaan. Ik zou alles aan mezelf willen onderzoeken, al mijn gedragingen, hoe uitte ik mezelf, hoe reageerde ik op mensen, wat lag er aan mijn gedragingen ten grondslag, waar werd ik aan blootgesteld, wat nestelde zich in mijn gedachten, ook dat wilde ik opschrijven, wat dacht ik? Maar een mens kon rare dingen denken, niet alleen over zichzelf, maar ook over anderen. En hij kon zich gek gedragen, alleen of met anderen. Kortom, het zou onmogelijk zijn om mezelf te onderzoeken zonder daar mijn omgeving bij te betrekken. Bij het schrijven van dag 2 van mijn dagboek werd dat al meteen duidelijk. Nee, eigenlijk na dag 1 al, want dag 2 besloeg het gesprek dat ik met Mandy had naar aanleiding van mijn eerste dagboekverhaal. Wat maakte dat al niet los. “Ik heb er toch niet voor gekozen,” zei Mandy, “dat jij ons leven wil openbaren. En wat denk je van Gioia en Vita, die kunnen er nu nog niet eens wat van zeggen, en later zullen ze misschien geconfronteerd worden met wat jij allemaal over ze hebt opgeschreven. En dan heb je nog mijn ouders, jouw ouders, onze familie en vrienden en kennissen. Ik wil niet dat hun beeld over mij, over ons, bepaald wordt door wat jij opschrijft. Zij kennen het grotere verhaal niet, zij kennen de nuances niet, zij weten niet zo goed hoe jij in elkaar steekt als ik doe, ze zullen het niet begrijpen, hoe jij bent. En wat als zij straks zelf figureren in jouw stukjes? Hoe zullen zij dat vinden? Je kunt niet zomaar ongevraagd iedereens leven op straat gooien. Straks praat niemand meer met je. Moet ik voortaan ook gaan letten op wat ik zeg? Moet ik me maar inhouden omdat ik weet dat alles de volgende dag op internet staat?”

Vol goede moed kroop ik de eerste dag achter mijn laptop om te beginnen aan iets waarvan ik nog totaal niet wist waartoe het zou kunnen leiden. Geïnspireerd door de niets en niemand ontziende Karl Ove Knausgård toog ik aan het werk. Maar in hoeverre was wat ik zou gaan doen vergelijkbaar met wat hij had gedaan. Hij schreef aanvankelijk achter de schermen en bewaarde zijn verhaal om te publiceren in boeken. Althans, dat dacht ik, ik wist eigenlijk niks van zijn schrijfproces, misschien zou hij dat in latere delen nog vermelden, maar zover was ik nog niet met het lezen van zijn meesterwerk. Ik was zo nieuwsgierig naar hoe hij zijn immense plan aanpakte. Schreef hij alles in één keer en publiceerde hij alle delen achter elkaar toen hij al klaar was met schrijven? O, en wat was ik benieuwd naar de vraag, voor mij althans, vooral nu, nu ik zelf bezig was, laat er geen misverstand over bestaan, ik had niet de illusie dat ik ook maar in de geringste mate in zijn buurt kon komen of in zijn voetsporen kon treden, maar nu ik zelf bezig was met mezelf bloot te geven voor een publiek, een klein publiek, dat wel, maar hee, wist ik waar dit op uit zou kunnen lopen, die vraag was hoe zijn omgeving erop zou reageren, vooral diegene die er allemaal in voorkwamen en dat waren er nog al wat, nu al, pas twee boeken onderweg naar de zes. Ik las al wel wat in de aankondigingen die gebruikt werden om het boek te promoten, dat er controverse bestond over zijn publicaties. Maar wat hield die controverse precies in, hoe uitte die zich?

Daarom ging ik gisteren opzoek naar meer informatie omtrent de Noorse schrijver. Ik vond dit interview, met de volgende kop: “Karl Ove Knausgaard became a literary sensation by exposing his every secret,” en deze ondertitel: “Readers love him for it. He hates himself.” Geschreven door Evan Hughes van New Republic. Daarin las ik dat de eerste twee delen al gepubliceerd werden, terwijl hij de rest nog moest schrijven. Hij sloot zich op voor zover hij kon en vroeg zijn omgeving om hem niks mee te geven van eventuele berichtgeving omtrent de publicaties, bang dat zijn schrijven er door beïnvloedt zou worden. Dit was natuurlijk onmogelijk, aangezien de pleuris uitbrak. Zowel in positieve zin, het werd een hype, miljoenen kochten de boeken, mensen zagen zichzelf erin, doordat hij zich zo tot op het bot bloot gaf, door zo’n menselijke kern te laten zien personifieerde hij de lezer, je zag jezelf er tot een zekere hoogte in. Maar ook in negatieve zin, er waren mensen, waaronder vooral familieleden van zijn vaders kant, die zijn werk omschreven als “Judas literatuur”. Hij verraadde zijn familie achter hun rug om. Een voorbeeld van een dergelijk verraad was de meer dan honderdpagina tellende scene waarin hij het huis van zijn oma schoonmaakte waarin zijn alcoholische vader net was overleden door de drank. Het was er extreem ranzig, waarbij ik een beetje moest denken aan de woonkamers die ik soms binnentrad tijdens mijn werk. Het rook er naar pis en stront en kots, alles zat onder en overal lagen lege flessen bier, wijn en sterke drank. Hij ruimde het huis samen met zijn broer op. Ze merkten dat hun oma in de war was, dementerende, maar ook merkten ze dat zij was meegenomen in het alcoholische van hun vader, want steeds vroeg zij of zij ook niet weleens een borreltje namen, en toen ze besloten om haar wat te geven, knapte ze er van op, dus gaf hij haar af en toe een glaasje. Er was zelfs een avond dat ze met z’n drieën lekker aan de neut zaten, geweldig vond ik dat, het was naar mijn idee totaal niet zonder respect en liet juist iets moois zien, er kwamen verhalen van vroeger, het was gezellig. Sommige familieden braken het contact met de schrijver toen ze dergelijke dingen lazen. De meesten had hij echter wel om toestemming gevraagd, hij stelde voor om van sommige geportretteerden de namen te veranderen, de meeste gingen echter akkoord met hun echte naam. Op sommige verzoeken om dingen aan te passen, ging hij niet in. Uiteindelijk stelde hij het verhaal bovengeschikt aan de mensen die erin voorkwamen. In het interview kwam ook naar voren dat hij eigenlijk niet kon leven met het idee dat sommige mensen dachten dat hij iets verkeerds had gedaan. Wat had hij eigenlijk verkeerd gedaan?

Hij liet gewoon zien hoe de dingen waren zoals ze waren. Toen hij begon aan zijn project, toen hij besloot om alles opzij te zetten waar hij mee bezig was, uitgedachte plotlijnen, gecontrueerde zinnen, wilde hij allen maar dit: “I wanted to just say it, you know. As it is.” Vandaag las ik ook weer in zijn boek, hoe hij tegenover het schrijven van een fictief verhaal stond, hij reageerde er fysiek op, hij kon er niet aan denken om iets te vertellen wat niet echt was, om een niet echt persoon niet echte handelingen uit te laten voeren, hij werd misselijk bij die gedachte, hoe zou hij zoiets op kunnen schrijven. In het interview vertelde hij wel weer hoe hij zich voelde wanneer hij de meest gevoelige periodes van zijn vrouw beschreef, het was het meest pijnlijke wat hij ooit had gedaan. En ik dacht weer aan Mandy’s reactie op mijn tweede verhaal wat ik niet kon publiceren. Het was te pijnlijk. Het legde iets fundamenteels in onze relatie bloot. Alleen daar was ik juist naar opzoek, net zoals die gekke Noor daar naar opzoek was. En waarom zouden mensen dat niet kunnen begrijpen? Iedereen was toch zo, uiteindelijk? Iedereen was toch een mens in al zijn menselijkheid? Daar wilde ik juist meer van zien, eigenlijk was dat het enige wat ik wilde zien. Waarom moest zoveel menselijkheid verborgen blijven? Dat was juist niet gezond, dat er niet méér van getoond werd, dat was in mijn ogen abnormaal, dat maakte het leven zo gek, het gewone lag als een sluier om de gekte en dat maakte het juist zo bizar. De gekte was misschien wel normaler, het was maar hoe je het bekeek.

Ik zei weleens tegen Mandy, die ondertussen niks van die Noor moest weten, ze vond ook dat mijn aanbidding naar hem zorgwekkende vormen begon aan te nemen, dat ik misschien meer op Linda leek dan op Karl Ove. “Wie is Linda?”, vroeg ze, alsof ik het over iemand had die ik goed kende. “Nou, zijn vrouw. Volgens mij ben jij meer als hij, wat meer uitgebalanceerd, hoewel jij wel een stuk positiever bent. En ik ben meer als zij, onberekenbaar, voortdurend schommelend tussen allerlei emoties. Bijvoorbeeld als ik honger heb, dat mijn stemming dan ineens kan omslaan, dan wil ik niet meer met je praten, ik kijk anders uit m’n ogen. Nu ben je eraan gewend en zie je wanneer ik in die modus raak. Maar in het begin, toen we elkaar minder goed kenden, ging het weleens goed mis, dan kwam het niet meer goed met de stemming. Dat heeft Linda ook.”
“Ja, ja.”
“Of wanneer we ergens zitten in een gezelschap, en ik een houding aanneem van desinteresse, niet omdat die mensen me niet interesseren, dat doen ze wel, alleen niet hun oppervlakkige buitenlaag, en dat ik daar dan niet meer uit te halen ben, uit mijn recalcitrantie, mijn puberale gedrag, en hoe jij je daar dan aan irriteert, hoe machteloos je je voelt tegenover mij.”
“Dat soort dingen ga jij toch niet opschrijven?”
“Ik weet het niet. Ik zou daarmee toch alleen maar laten zien hoe het is. Andere mensen zijn toch ook zo. Misschien zitten mensen na het lezen wel aan tafel en hebben ze het erover, zo van ‘goh, ben jij nou de Sander van ons twee of de Mandy.'”
“Nou vergeet het maar. Mensen zijn niet zoals jij. Jij bent niet gewoon.”
“Nee, misschien ook niet. Ik vraag me ook af wat er gebeurd als ik de filosofie van mijn grote vriend Karl Ove, waar ik volledig achter sta, als ik die helemaal doortrek en mezelf volledig zou laten zien. Volgens mij zou ik nog veel verder gaan dan hij. Althans, ik denk dat het dan zou zijn alsof Linda, de meer emotionele, de dichteres, die bijvoorbeeld manisch depressief is geweest, alsof zij zich blootgeeft. Nog veel grilliger dan hij, veel heftiger met kreten uit onze diepste diepten en hoogste hoogten. Misschien zou zij dat moeten doen, om haar kant van het verhaal te vertellen. Dat mag jij ook doen hoor als ik klaar ben. Jouw kant van het verhaal vertellen.”

Beeld: Annemarie IJssels 

2 gedachten over “Dag 5”

  1. Ik vind het fijn om meegenomen te worden in menselijke gedachtes, vooral als ze interessant zijn of iets raken, iets fundenmenteels, en precies zoals jij uitzoomed bij oppervlakkigheid zo reageer ik ook soms dus ik herken mezelf. Je stukken lezen als een goed gesprek, van dat soort dat je heel soms hebt met echt goede vrienden en genoeg bier, of met je liefde in een restaurant als je allebei geen smartphone mee hebt. Of juist die vreemde die misschien wel omdat je elkaar niet kent super eerlijk is en dieper durft te gaan.
    Goed en fijn je gesproken te hebben, dank!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.