De kapitein

Mijn tante mocht me dan zo nu en dan opsluiten in het kippenhok, toch was zij de beroerdste niet. Ze nam me ook dikwijls mee naar haar werk. Prachtig vond ik dat.

Er werkten voornamelijk jonge vrouwen. Zij vonden het op hun beurt enig, dat er een jong meisje van zes op de werkvloer rondscharrelde. Als de baas kwam, verstopten ze me.

Ik lag dan met een bonzend hart onder een stapel visnetten. Dat was wat daar werd gedaan, kapot geraakte touwen aan elkaar knopen.

Als de baas voorbij was gelopen, rende ik opgelucht naar de kade en keek uit over het water. Enorme schepen voeren hier af en aan. Vijfmasters met zeilen als duizend tafellakens aan elkaar. Het boegbeeld schitterend uit hout gesneden, de vrouw die ik later wilde worden.

Eén iemand ontbrak er altijd, de kapitein. Hij stond natuurlijk aan het roer, maar waar zat die precies. In het verlengde van deze gedachte, dacht ik telkens mijn vader. Hij belichaamt voor mij het onbekende, het niets. Of misschien toch wel iets. Maar dan heel abstract, vaag en onzichtbaar.

“Kom je? We gaan.”

Thuis aan tafel vroeg ik mijn tante waarom je een kapitein aan boord niet kan zien. Ze zei me dat als dat wel zo zou zijn, het schip met iedereen erop zou vergaan.

Deze geruststellende en troostende woorden, ben ik de rest van mijn leven nooit meer vergeten.

4. ship (same text as 3)

3 gedachten over “De kapitein”

    1. Leuk te horen dat je hem mooi vindt Sandra. Toch had ik hem graag een keer willen zien, in levende lijve dan. Mijn moeder liet me een keer een foto van hem zien, de enige die ze in haar bezit had. Ze vroeg of ik hem wilde leren kennen. Ze wachtte geen antwoord af en verscheurde de foto.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.