De wandeling

Ik had me voorgenomen om te gaan wandelen. Het gevoel dat ik bij dit voornemen kreeg, was alsof ik iets illegaals van plan was. Zouden ze me niet aanhouden vanwege inefficiënt gedrag? Zo voelde het niet toen ik op reis was in Noorwegen en Zweden. Daar liep ik overigens niet alleen. Dat voelde veilig. Bovendien was ik weg, ik was geëxcuseerd, ik was op vakantie. “Hoe was je vakantie?”, vroegen veel mensen mij ook bij terugkomst. En dan wilde ik eigenlijk zeggen: “Het was geen vakantie, het was een reis,” en soms zei ik dat dan ook. Op vakantie ga je om uit te rusten van je werk en het leven waar je in zit, om vervolgens met hernieuwde energie datzelfde leven weer op te pakken. Op reis ga je omdat je op zoek bent naar ‘iets’. Het is een zoektocht waarin dingen zich onthullen die thuis verborgen blijven en daar niet gevonden kunnen worden. Van je reis kom je niet thuis om je oude leventje weer te hervatten zoals het was, maar om deze te herstarten met nieuwe inzichten.

Na het avondeten ging Mandy op bed liggen met Gioia. Ze zou ‘even’ gaan liggen en ik had al een vermoeden waar dit ‘even gaan liggen’ op zou uitdraaien. Nadat ik Vita op bed had gelegd ging ik een artikel lezen uit ‘Brainpickings’. Op zondag krijg ik altijd een wekelijkse mailing met de beste stukken van die week en ik zag dat er een stuk over wandelen ging. “Wanderlust: A History of Walking,” van Rebecca Solnit werd onder de loep genomen en het voldeed precies aan mijn verwachtingen; ik kreeg nog meer zin om te gaan wandelen. De slotwoorden vertaald naar het Nederlands waren: “Ik hou van lopen omdat het langzaam is, en ik verwacht dat ons brein, net als onze voeten, zich voortbeweegt met een snelheid van vijf kilometer per uur. Als dit waar is, dan beweegt het moderne leven zich sneller dan de snelheid van de gedachten, of doordachtheid.”

Ik drukte het scherm van mijn i-Pad weg, ik stond op, legde hem met de lange zijde in een zwarte speakerset dat teven als standaard fungeerde en koppelde het witte stekkertje aan om hem op te laden. Ik liep naar de kapstok en deed mijn jas aan. Ik keek nog even in de slaapkamer; Mandy zat op haar telefoon te kijken en Gioia sliep. “Ik ga even wandelen,” zei ik met een soort ingetogenheid, alsof ik bang was dat het niet mocht. “Ja is goed,” zei ze. “Oké, doei.”
“Doei.”

En daar ging ik. Ik liep over de stoep en passeerde eerst mijn eigen huis. In de speeltuin zag ik de autistische buurjongen van schuin boven ons op de schommel zitten. Dat was zijn uitlaatklep, zijn ontsnapping, daar kwam hij waarschijnlijk tot rust. Heel vaak zat hij daar; soms tot grote ergernis van mij omdat hij zo hard schommelde met dat grote volwassen lijf van hem terwijl mijn dochters daar speelden. Eén keer knalde hij vol tegen Gioia, ze lette niet op en ineens rende ze voor de schommel langs. Nu voelde ik echter een soort vaag verwantschap met hem. Ik wilde ook even ontsnappen aan mijn gedachten en nu liep ik hier net zo klein, raar en ongewoon als hij. Toch voelde ik me door hem betrapt, alsof hij me niet mocht zien, waardoor ik niet de straat inging waar ik de zon zag schijnen, – omdat hij mij dan langer in zijn gezichtsveld kon houden, niet dat hij naar me keek, dat wist ik niet.

Ik liep langs de bakker en daar ging ik rechtsaf. Er woei een behoorlijk windje waardoor ik dacht dat het verstandig was dat ik mijn jas had aangetrokken. Het was avond, maar nog volop licht. Nu al vroeg ik me af waarom ik zoveel binnen zat in de avonden, terwijl het buiten zoveel opener was. Ik liep de straat uit en ging weer rechts, daar zag ik de zon zojuist al door die straat schijnen die ik niet inliep en nu stond ik in zijn licht. Ik liep langs de hekken van een bouwput en zag betonnen skeletten van huizen die uit hun pas gestorte funderingen verrezen en een hijskraan met bovenaan een kruiwagen die eraan bungelde. Een vrouw liep langs met haar hond en ik dacht: ik heb geen hond, ik laat mezelf uit en dat mag en ik hield me even in, liet m’n gedachten stromen, ik voelde me open en het zonlicht verwarmde me en ik voelde geluk opborrelen, door mijn lichaam naar boven en hoe het lichtjes achter m’n ogen drukte. Wat ben ik toch sentimenteel dacht ik, het zou vast met mijn terugkeer uit de donkere dieptes van mijn binnenste te maken hebben, misschien was ik daardoor nog steeds te gevoelig voor het leven. Moest ik dit zien te behouden of zien kwijt te raken?

Ik liep langs een slootje en zag wat platgetrapt gras langs de kant. Dat was vast van kinderen die hier speelden en ik bedacht hoe ik vroeger op ontdekkingsreis ging met Youri – m’n buurjongen in Zeeland – en hoe alles spannend was en alles een wereld op zich; een slootkant, een nieuwbouwwijk, de Zeeuwse boomgaarden waar we doorheen liepen en de maisvelden waarin je kon verdwalen en hoe spannend dat was en hoe je kon schrikken als er ineens een Fazant voor je voeten opfladderde.

Ik liep en ik keek en ik dacht. Ik kon denken wat ik wilde en een gedachte net zo lang vasthouden als ik wilde. Dit was een verschil met de wandelingen die ik samen met Ted wandelde; over de eilandjes van Stockholm of over de bergen en langs het fjord in het Noorse Tingvoll. Tijdens die wandelingen was het gesprek vaak belangrijker. Ook dat was fijn. Maar dit was anders. Dit was weer het gesprek met mezelf.

Ik stak de sportlaan over en liep de vogelwijk in. Natuurlijk, het was lente, de bloemen bloeiden in de tuinen die ik passeerde en ook dat vond ik mooi en alles was zo open, mijn gedachten, de wereld, en weer voelde ik iets door mijn lijf omhoog gaan en achter mijn ogen drukken. Aan het einde van de weg was de halve cirkel met parkeerplekken en daar stonden nu allemaal hangjongeren en ook een busje met legeruniformen over de openstaande achterdeuren gehangen. Waarschijnlijk hadden ze in de bossen een spel gedaan; misschien gepaintballd. Ik besloot om niet hier omhoog de duinen in te gaan, maar eentje verder, waar ik van het weekend samen met Mandy en de kinderen fietste om naar het strand te gaan. Dus ik liep de volgende afslag de duinen in en na een poosje omhoog te hebben gelopen zag ik een pad naar links. Aan het pad grensde een open vlakte bezaaid met gras. De zon scheen nog net over het duin heen en het zag er zo verlokkelijk uit, ik wilde daar heen en dat kon, want ik bepaalde waar ik heen ging. Er was een bankje dat nog net de stralen van de zon opving. Ik moest er van mezelf gaan zitten en ook dat deed ik. Waarom niet? Maar al snel voelde ik weer de behoefte om verder te gaan. Lopen, ja, heerlijk, lopen gaf rust, de gedachten waren minder verwarrend dan wanneer je zat op de een of andere manier. Het lopen structureerde ze, gaf ze een ritme; mijn gedachten en mijn voeten bewogen samen, als ik zou zeggen dat ze dansten zou ik liegen, maar muziek, misschien, in ieder geval niet meer dat geschreeuw, die stemmen in mezelf die over elkaar heen buitelden, dat schizofrene.

Ik passeerde een echtpaar en begroette ze. “Hoi,” zei ik. “Goedenavond,” zei de man. Zij waren samen en ik alleen en dat was helemaal goed. Ik voelde me allang niet meer klein of schuldig aan mijn zondige zonderlinge wandeling. Ik voelde me groot en trots en blij. Ik kwam bij het fietspad dat ik kende, ik zou nu zo het strand op kunnen, maar links van mij zag ik een hekje met een bordje met daarop zo’n Oerbizon afgebeeld. Ze lieten deze dieren hier grazen ter bevordering van de natuurlijke balans van het duinlandschap, dat stond op de tekst naast de afbeelding van het beest. Ze doen niemand wat aan, ook je huisdier niet, toch vroegen ze om voldoende afstand te houden en was het betreden op eigen risico en werd er gevraagd of je op de schelpenpaadjes wilde blijven. Ik opende het hek en liep over de schelpen in de hoop de dieren tegen te komen. Links van mij keek ik in de kruinen van bomen die allemaal stonden geworteld in een lager gedeelte van het duin dan waar ik liep. Met een bocht liep ik er omheen, het pad liep iets omhoog. Ik draaide me even om en ik zag hoe de zon prachtig langs een verhoogd stuk duin scheen en hoe de begroeiing om me heen zich voor me ontsloot als een bos met verschillende verdiepingen. Het was alsof ik van etage naar etage ging, dan weer omhoog, dan weer omlaag, maar vloeiend.

Ik zag weer een bankje in weer een ander nisje van de natuur. Ik moet hier met Mandy heen dacht ik, dan kan ik haar dit alles laten zien, hoe mooi het is en dan kunnen we er samen van genieten. Dan nemen we een fles wijn mee en dan drinken we op elk bankje een wijntje. Maar waarschijnlijk is één fles niet genoeg voor alle bankjes en alle mooie plekjes, misschien moeten we wel twee, drie of vier flessen meenemen en raken we zo dronken dat we niet meer thuis komen maar ergens in slaap vallen op het strand of verstopt in dit weelderige duinlandschap en worden dan wakker met de zon die zijn gezicht langzaam over een duinparabool buigt en ons wakker kust zoals hij ons welterusten zoende toen hij achter de wolken in de zee verdween.

Ik zie een hoge plek; de hoogste plek van het duin rondom mij. Er lopen mensen en er is een hek omheen. Ik loop omhoog, voor het eerst een stuk dat enigszins als steil kan worden aangeduid in relatie tot de rest. Ik zie struiken met hier en daar witte bloemetjes. Ze zijn zo verdeeld dat het net sterren zijn. De zon of een schilder zou ze kunnen laten oplichten zodat ze de sterrennacht van van Gogh zouden zijn; een leuke en mooie gedachte die ik mezelf graag toeliet. Was de natuur al niet mooi genoeg – die witte bloemen stonden in de schaduw – dan maakte ik haar wel mooi of mooier. Of was ik het sowieso die dit alles inkleurde? Was de natuur mooi of was de natuur in relatie tot mij mooi? Sowieso moest je de schoonheid zelf zien. En zien is wat anders dan kijken. Hoe vaak loop je niet langs mooie dingen, of in ieder geval langs dingen, mensen, gebouwen, bomen, bossen, meren, sloten, dieren, zonder dat je ze ziet, terwijl je ogen ze wel registreren. Daarom is deze wandeling anders, dan wanneer je je van A naar B beweegt, wanneer je op weg bent naar je werk, naar de tram of naar de supermarkt. Je hebt een open houding nodig om dingen in je op te nemen, om te zien wat ze voor je verborgen houden en om ook te zien wat jij voor jezelf verborgen houdt. Dat is het gevaar dat we lopen in deze gejaagde tijd, dat we de dingen niet meer zien, dat we onszelf en daarmee ook de ander niet meer zien. Als je continu aan het rennen bent, hoor je jezelf niet en flitst het leven aan je voorbij. Je moet af en toe even stil staan, rustig aan doen, lopen, je met vijf kilometer per uur voortbewegen in plaats van honderdtwintig. Bedenk dan eens wat je belangrijk vind? Of je nog in het reine met jezelf kan zijn door het pad dat je bent opgegaan en nog steeds bewandeld. Misschien moet je een keer linksaf, in plaats van rechtdoor, om te kijken wat de wereld voor je verborgen houdt.

Ik stond op de top en keek rondom. Ik zag Den Haag, de stad, de flats en de hoogbouw aan de ene kant, de zee aan de andere. Ze kwamen samen in twee punten; het water en het land: links het havengebied van Rotterdam met zijn industriële uitlaatpijpen en rechts de Boulevard van Scheveningen die voor mij herkenbaar was door de vele vliegers van de kitesurfers die er voor langs voeren. Gelukkig was er niemand die tegen me kon zeggen dat dit en dit daar ligt en dit en dat hier, waarbij druk gewezen wordt in een richting waarna ik na lang geconcentreerd kijken nog niet zie wat ze bedoelen, maar doe alsof ik het wel zie en dan “ja, ik zie het,” zeg, om er vanaf te zijn omdat het me toch niet interesseert. Ik keek nu gewoon wat rond en zag wat ík wilde zien. Ik kon er voor kiezen om er betekenis in te leggen, of niet. Ik keek naar het stuifzand dat met vlagen een dunne sluier over het duin drapeerde. Het zand leek door de plotselinge en ongestructureerde bewegingen te leven. Ik liep de heuvel af en toen over een geasfalteerd weggetje richting de zee. Het stuifzand joeg nu langs mijn voeten en soms omhoog langs mijn lichaam en soms moest ik mijn ogen dichtknijpen om ze te beschermen. Maar zolang ik ze open kon houden hield ik ze open en vergaapte me aan het fascinerende en hypnotiserende spel dat de wind speelde met minuscule steentjes, die gezamenlijk bijna vloeibaar leken en die met bewegingen als getijden over het paadje golfden alsof ze een zee van zand waren.

Op het strand was er wind waar je bijna in kon leunen. Ik liep langs het water en er was vooral geluid; geluid van het geblaas in je oren en het onstuimige ruisen van de zee. Er lagen klodders schuim die de golven achterlieten en die een voor een mijn kant op werden geblazen. Ook dit leek te leven. Een groot stuk schuim vocht tegen het element dat ook mij maar langzaam voort liet gaan. Het bewoog heen en weer, probeerde zich te handhaven, zich te hechten aan het strand, totdat het losliet en mijn kant opkwam en uit elkaar werd gedreven in kleine stukjes van hetzelfde. Opeens lieten er nog meer stukken los en ook die splitsten zich en zo schoten er rakelings langs mij heen: kleine schuimkopjes waarvan ik hoopte dat ze me niet raakten, want ik was hier ook maar op bezoek. Ik ging een stukje achteruit lopen, omdat het kon en omdat het mocht van mezelf; om te kijken of de wind me kon dragen. Eerder dacht ik nog dat ik naar huis moest, maar waarom? Misschien omdat ik vlak daarvoor bedacht dat ik al mijn vriendjes op moest bellen, of ze morgen met me mee in de duinen zouden komen spelen, ik had immers een tof plekje ontdekt. Ik was weer kind; een volwassen kind; met als voordeel dat mijn moeder me niet thuis verwachtte.

De zon zakte verder. Ik liep het strand af op een plek waarvan ik dacht dat dat de strandtent was waar ik afgelopen zondag met mijn gezin lag. Ik herkende de trap. Het strand was onherkenbaar, zo leeg, zo zonder mensen; vandaag was dit mijn strand. Bovenaan de trap zag ik dat ik te vroeg omhoog was gegaan. Ik liep over het pad langs het stukje duin dat het strand en de rest van het duin scheidde. Er stonden een meisje en een jongen boven op de helling met hun fiets aan de hand en de jongen nam een foto van de zon die nu meer roze kleurde. Het meisje had een zwarte jas en op haar rug stond “Just Wow!”
“Mooi hè,” zei ze toen ze haar fiets probeerde op te stappen en ik naast haar liep. Ik bracht mijn lippen van elkaar en toen zei ze: “het is wel moeilijk omhoog komen,” en ze trapte hard op haar pedalen en zette de klim in. “Ja,” zei ik, “maar het is prachtig,” waarbij ik niet wist of ze dat laatste wel verstond en ik vroeg me af waarom ik eigenlijk iets zei, er viel niks te zeggen, behalve dan dat we leefden, misschien zei ik dat wel: “we leven nog steeds”.

Bij “De Kwartel” aangekomen, de strandtent waar ik dacht dat ik al eerder was, zag ik de zon ondergaan. Hij leek zich nu sneller te bewegen, misschien omdat er nu eindelijk een oriëntatiepunt was, namelijk de horizon, terwijl hij zich daarvoor nog in de onbegrensde ruimte voortbewoog. Ik zag hem verdwijnen achter een reep mist die net boven de zee hing. De wolken die daar weer boven hingen kregen een rode gloed en leken op kolen die opgloeiden. Ik bleef ernaar kijken en ik bedacht dat het geen kolen waren, want nu zag ik in een wolk een brandend schip dat langzaam uit elkaar smeulde. Ik bleef kijken. Ineens zag ik een grote kudde wolken als een soort walvis kolonie voorbij drijven. Als logge beesten dreven ze voor me langs, de wolken van de nacht. Ik draaide me om, liep het pad af en stak het fietspad over het bos in dat nu in het halfdonker lag, in de schemering van de avond.

Hoe lang was ik weg geweest? Het leek een seconde en een eeuwigheid tegelijkertijd. Ik had me door werelden begeven en me vergaapt aan kleine en grote details. Het leek wel een Paddotrip. Ik had nooit geweten dat een dergelijke ervaring ook zonder drugs mogelijk was. Tijd en afstand bestonden even niet. Alles was beweging, alles vloeide in elkaar over; ik, mijn gedachten en de wereld. Ik zou hier gewoon met Mandy kunnen lopen zonder die flessen wijn mee te hoeven nemen, dat scheelde weer wat gesjouw.

Toen ik de heuvel afliep, de duinen uit, stonden er nog wat hangjongeren. Nog halfdronken liep ik van ze vandaan. Ik was langzaam aan het ontnuchteren en ik vroeg me af wat ik gezien had. Ik liep langs de huisjes waar ik eerst ook langs liep, maar dan nu aan de andere kant van de berm. Wat een mooie huisjes waren het toch, met hun karakteristieke puntdaken en oranje dakpannen en waarvan elke gevel een eigen dier of Griekse god (of zoiets) tussen de bakstenen ingemetseld had zitten. Je zou hier maar wonen. Maar ik woonde hier ook, althans, hier niet ver vandaan, dit was mijn thuis. Hoe kon het mogelijk zijn dat ik hier al twee jaar woonde en de pracht van de duinen nog niet eerder had aanschouwd. Had niemand mij dat kunnen vertellen.

Dit moest ik vaker doen. Dit zou iedereen moeten doen. Een wandeling is een reis door de omgeving waar je in woont of in ieder geval waar je je op dat moment in beweegt en tegelijk een ontdekking van wat jouw innerlijk je te bieden heeft. Een wandeling is niet niks doen. Ik heb mijn tijd nog nooit zo nutteloos besteed en juist daarom was het nuttig. Ik ben nog nooit zo inefficiënt te werk gegaan en juist daarom was het effectief; het resultaat: een opgeruimde geest en een verzorgde ziel. Ik denk dat ik beroepswandelaar word; een reiziger; of zijn deze woorden niet eigenlijk gewoon synoniemen voor iets anders?

Eén gedachte over “De wandeling”

  1. Prachtig verhaal. Alsof je de wandeling ook zelf maakt, zo beeldend weergegeven.
    Ik voelde weer de rust die wandelen mij gaf in de moeilijke maanden begin dit jaar toen ik met een Burn out thuis zat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.