De wereld draait door

20130917-142953.jpg

Ik zet de auto links van de weg, langs de bosjes, tegenover de flat waar ik moet zijn. Ik loop zo tegen het einde van mijn avondroute. Het begint net donker te worden. Het regent. Kleine druppels glijden langzaam langs de voorruit van de auto naar beneden.

Ik ben moe en gehaast. Die constatering slaat me in mijn gezicht. Tot nu toe ging deze avond alles op de automatische piloot. Ik klok in, ik help, ik klok uit. Niks bijzonders. Het is een routine die langzaam maar zeker een deel van mijn leven is geworden. Het geeft structuur aan sommige van mijn dagen.

Ik draai de autosleutel in het contact een kleine slag terug. De motor valt uit maar de muziek op de radio blijft draaien. Ik besluit het nummer uit te zitten, zet de rem op mezelf en filosofeer. ‘Waar ben ik mee bezig?’, vraag ik mezelf af in deze kleine ruimte in het halfduister. ‘Waarom moet alles zo snel gaan?’, en ik kijk mezelf aan in de achteruitkijkspiegel. Ik kan me de zomer niet eens meer voor de geest halen. Natuurlijk, ik ben weer vader geworden, de nachten zijn weer korter, ‘misschien dat dat alles versnelt?’

Het nummer op de radio neemt me mee en houdt me vast in de tijd. Mijn adem stokt door een combinatie van klanken en gedachten. Van kind naar ouder. Het lijkt een ademzucht. De muziek drukt nu iets achter m’n ogen. Een traan glijdt langs mijn wang en als het zout mijn lippen raakt, proef ik het besef. Ik ben een dochter rijker.

Het nummer is nog niet afgelopen, toch draai ik de sleutel in het contact verder terug en hoor nu pas goed de regen tegen de voorruit tikken. Ik klok in. Boven in de flat trek ik de steunkousen uit van mijn cliënt. Daarna laat hij me voor het eerst zien dat hij in zijn kast iets verstopt heeft zitten. Het is een volledig zelfgebouwd miniatuurdorp met daar doorheen een elektrische treinbaan. De achterkant van de kast is het decor: een helder blauwe hemel met een gat waar een lamp doorheen steekt. Als meneer dit licht aanknipt, zeg ik dat de zon opkomt. ‘Of de maan’, zegt hij. We kijken een tijdje roerloos naar het bouwwerk. Veertig jaar lang heeft meneer hier aan gewerkt. In die tijd kreeg hij kleinkinderen en achterkleinkinderen. Inmiddels staan er langs de rails een station, lantaarnpalen, auto’s, mensen, lopen er wegen, kanalen en gazonnen omgeven door heel veel huisjes, zelfs in aanbouw, maar niks beweegt. De wereld staat daar stil. Terug beneden stap ik de auto in, klok ik uit en rij verder. Hier draait hij door.