Eenzaamheid

Whenever I’m down
I call on you my friend
A helping hand you lend
In my times of need

Dit wordt gezongen in het liedje My friend van Groove Armada. Altijd als ik het hoorde, stelde het me op de een of andere manier gerust, alsof je in gedachten altijd iemand kan bellen die aan de andere kant van de denkbeeldige lijn klaarstaat om je te helpen, om je de juiste woorden mee te geven waar je op kan vertrouwen. Maar het liedje gaat niet over de mogelijkheid om iemand te bellen, het gaat niet over de idee van ‘iemand bellen’, het gaat erover daadwerkelijk een vriend te bellen die je gerust stelt.

Groove Armada _ My Friend from Puce [̲̅♥̲̅] on Vimeo.

You say the right things
You keep me moving on
You keep me going strong

Vlak voordat ik hier uiteen wilde gaan zetten hoe ik juist niet op zoek ben naar een ‘echte vriend’ van vlees en bloed, maar naar de idee van die vriend, die uiteindelijk nergens anders te vinden is dan binnen jezelf, zoals bijvoorbeeld Jimmy Hendrix ook zingt in zijn My friend, wat hij heel toepasselijk aankondigt met de de woorden: “Y’all pass me that bottle, and let me sing you a real song,” ging mijn telefoon en was het mijn vrouw die haar verhaal kwijt wilde over haar beoordelingsgesprek op school.

Ik ben natuurlijk haar vriend op dit soort momenten, en zij is dat ook voor mij wanneer ik haar nodig heb. Maar dat is niet waar ik het hier over wil hebben. Dit soort ‘zorgen’ zijn van tijdelijke aard en duidelijk gekoppeld aan bepaalde gebeurtenissen. De zorgen waar ik over wil spreken, zijn die van een heel ander kaliber. Het gaat over een gevoel van gemis dat niet weg gaat, het gaat over eenzaamheid. Maar zelfs het woord eenzaamheid dekt de lading niet en zou voor verwarring kunnen zorgen aangezien men zal denken dat dit woord gekoppeld moet worden aan ‘alleen zijn’, eenzaamheid zou dan alleen reëel kunnen zijn voor iemand die niet omringd wordt door vrienden en familie. De eenzaamheid waar ik het over wil hebben manifesteert zich in een existentiële vorm; het is een gemis dat op zichzelf bestaat en niet gericht is op de omgeving, hoewel die daar vaak op geprojecteerd zal worden, want wat is er immers anders dan de zichtbare werkelijkheid om je gevoelens aan te kunnen koppelen?

Jij spiegelt jezelf aan anderen. Mensen die net als jij denken en zich net als jij gedragen, bevestigen wie jij bent, een van hen. Er is natuurlijk een bepaalde speelruimte in het sociale leven, maar wanneer je teveel afwijkt van de consensus die in het ‘ons’ leeft en die tot uiting komt in groepsverbanden doormiddel van de taal die wordt gebezigd en het gedrag dat wordt geuit, dan bestaat het gevaar dat je wordt buitengesloten. Je wordt niet zozeer fysiek buitengesloten, hoewel dat ook mogelijk is, maar daar moet je dan vaak ook fysieke overtredingen voor begaan, maar meer geestelijk. Aangezien wij onszelf aan de anderen spiegelen, reflecteren die anderen op het moment dat jij afwijkt niet het beeld dat jij van jezelf hebt en is het dus ook niet zozeer de groep die jou buitensluit – hoewel de groepsidentiteit wel de voorwaarden ervoor creëert – maar ben jij het zelf.

My friend van Jimmy Hendrix staat in schril contrast met de catchy melodie, de fijne beat, de gelikt geproduceerde muziek en de recht toe recht aan tekst van Groove Armada, wat voor mij het ene nummer niet per sé beter maakt dan de andere, het is gewoon een wereld van verschil. Ook qua inhoud staat Jimmy Hendrix lijnrecht tegenover Saint Saviour, de zangeres van Groove Armada. Hij vertelt in zijn nummer op een poëtische en tegelijkertijd misschien wat verbitterde wijze over het onvermogen van de vriendschap. De paar ontmoetingen die hij in het nummer omschrijft stellen hem telkens teleur, hij stuit telkens op onbegrip en hij voelt zich steeds weer gekwetst.

… And I thought you were my friend too
Man, my shadow comes in line before you

En dan het refrein in het bluesnummer:

I’m finding out that it’s not so easy
Specially when you’re only friend
Talks, looks, sees and feels like you
And you do the same just like him

Hij refereert hier duidelijk naar zichzelf. In het laatste couplet verwijst hij daar ook expliciet naar door te zeggen:

Just got out of a Scandinavian jail
And I’m on my way straight home to you
But I feel so dizzy I take a quick look in the mirror
To make sure my friend’s here with me too

Wat gebeurd er met je wanneer het besef tot je is doorgedrongen, dat jijzelf je enige vriend bent, dat degene die jou in de spiegel aankijkt de enige is die jou begrijpt omdat er geen begrip nodig is – je hoeft je voor jezelf immers niet vast te leggen in taal. Voor anderen moet dat wel en dat kan verwarrend en beangstigend zijn aangezien elke poging om je te uiten zal mislukken. En als niemand jou begrijpt, wie ben je dan nog? Jouw ‘zijn’ zou voldoende moeten zijn, maar je omgeving vraagt om duiding en verklaringen. Wie ben jij? Wat kom je doen? Wat ga je doen? Wat wil je bereiken? Waarom voel je je zo en niet zo?

We leven in een tijd waarin het lijkt dat er voor alles een verklaring is of is te vinden. En binnen de groep, binnen bepaalde systemen, zijn die verklaringen er ook altijd, omdat de regels en wetten – sommige duidelijk geformuleerd en zichtbaar aan het oppervlak, anderen diep in ons verankerd – het systeem gesloten houden waardoor voor alles altijd wel een bepaalde coherentie te vinden is en er altijd legitieme gronden zijn te vinden waarop bepaald gedrag binnen die kaders kan worden verantwoord. De gemeenschap zorgt ervoor, bijvoorbeeld in een dorp, dat we ons boekje niet te buiten gaan. Dat boekje is aan de ene kant het wetboek en aan de andere kant de heersende moraal – je weet dat sommige dingen niet kunnen omdat je instinctief aanvoelt dat mensen je daarop zullen aanspreken. Deze sociale controle is natuurlijk in een dorp veel meer aanwezig dan in de stad, maar ook in de stad voel je de controle van je omgeving omdat dit gevoel diep verankerd ligt in onze cultuur. Toch kan ik me niet aan het idee onttrekken dat er steeds iets meer van die cultuur kapot gaat; of om het minder cynisch te duiden: verandert. De dorpen zijn de dorpen niet meer, de steden de steden niet en de bedrijven de bedrijven niet. Voor een groot gedeelte heeft dit te maken met schaalvergroting. We zijn met steeds meer mensen, maar slechts een handjevol probeert deze mensen te organiseren waardoor het lot van velen bepaald wordt door de ideeën van de enkeling. Ik vraag me af of dit lot, dat de meeste mensen ondergaan, hetzelfde is als het Noodlot? Is er een wezenlijk verschil tussen het lot dat je in de handen van andere mensen legt, het lot dat de natuur soms zo willekeurig over mensenlevens kan laten storten en het lot dat niet verklaard kan worden, het Noodlot, dat misschien wel in de handen van God ligt? Of zijn allen aan elkaar verbonden en moeten we het leven van ons als individu, van ons als groep, van ons als onderdeel van de aarde, van ons als onderdeel van alles, zien als het dragen van het Noodlot dat ons leven ons geeft, of hebben wij er invloed op?

Onlangs bezocht ik de lezing van Joris Luyendijk in het Paard van Troje als onderdeel van de Haagsche College reeks. Hij vertelde hier – net als in zijn boek Het kan niet waar zijn – over het amorele systeem dat werkzaam is in de bankensector van de City (Financiële hart van de Londense bankenwereld). Amoreel wil zeggen dat mensen binnen het systeem en binnen de wet de regels niet overtreden, maar los van deze opgelegde grenzen werken volgens het adagium: “Anything goes.” Ze zijn daarmee niet immoreel, want binnen de wet, maar zonder zelf- of groepscorrigerende moraal. Op die manier kunnen er financiële producten verkocht worden aan landen of bedrijven door mensen die op voorhand weten dat dit ze ernstige schade zal berokkenen, zonder dat er iemand verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Er wordt immers niks illegaals gedaan. Er wordt gewoon zakelijk gehandeld: doelgericht, efficiënt en met maximale winst voor de persoon zelf, want in een bedrijf waarin geen loyaliteit naar zijn werknemers bestaat – bij sommige banken in de Londense City kan je immers elk moment zonder pardon ontslagen worden – bestaat ook geen loyaliteit aan het bedrijf. Joris Luyendijks boek is een immens succes, het heeft nu voor de tweede keer op rij de NS publieksprijs gewonnen en de verkoopcijfers stijgen tot een steeds hogere recordhoogte. De auteur verklaard zijn succes mede vanwege zijn vermoeden, die door toehoorders van zijn lezingen vaak wordt bevestigd, dat hij door de open zenuwen bij de Londense banken bloot te leggen tegelijk iets veel groters en fundamentelers heeft blootgelegd over hoe ons bedrijfsleven in elkaar steekt. En gezien alle instellingen in ons land – en in vele andere landen in de wereld – worden gemodelleerd naar dat bedrijfsleven, zou je misschien wel kunnen zeggen dat hij iets blootlegt wat ons allen in de maatschappij raakt, danwel direct omdat bijna iedereen wel ergens werkt en daardoor wordt meegezogen in een systeem dat net als de banken steeds groter en onoverzichtelijker en amoreler wordt, danwel indirect door de scheve verhoudingen die ontstaan door de roekeloosheid van anderen die zichzelf vrijpleiten van alle blaam omdat zij immers niet immoreel handelen, maar alle beslissingen nemen binnen de regels, de wet en de moraal van hun sector die heel banaal en logischerwijs samengevat kan worden met de lijfspreuk: “zij doen het toch ook.”

Ik heb het amorele systeem zelf aan den lijve ondervonden in de zorg (lees hier mijn essay over de zorg). Het wrange is dat wie ik ook maar spreek op een willekeurig feestje of verjaardag, het lijkt overal hetzelfde. Wij weten dondersgoed hoe het zit, oftewel het ‘ik’ als onderdeel van het ‘wij’. Vanuit het geheel bekeken, zijn wij de naamlozen in deze wereld, wij zijn de getallen waar de wiskundigen mee rekenen. Het idiote is dat de lezingen van Joris Luyendijk, zijn boek en ook teksten als deze, essay’s, kritische artikelen, dat zij willen opkomen voor de naamlozen, ze een naam willen geven, terwijl het noemen van de problemen en de mensen die als individuen de problemen hebben ervaren, alleen de kleine ‘naamrijke’ elite bereiken die ze doornemen als tijdverdrijf, ‘verscherping van de geest’ en argumentaties die ter discussie kunnen worden gesteld in het debat, het debat dat door enkelen van naambordjes voorziene individuen gevoerd wordt. Welk debat is dat toch altijd waar mensen toch altijd zo de mond vol van lijken te hebben als ze het erover hebben dat ‘het debat’ moet worden aangegaan of gevoerd moet blijven worden? Er verandert immers niks met praatgroepen en kemphanen die elkaar de tent uit discussiëren. Alles wordt getoetst aan hoe het is en hoe dat beter kan, terwijl wat is, niet noodzakelijkerwijs zo hoeft te zijn, liever niet zelfs als we gewoon eerlijk zijn.

Maar ja, de zaken zijn nu eenmaal zoals ze zijn. We bewegen dan weer de ene kant op, dan weer de andere. Dat geldt voor ons als individu en voor ons als groep. Zou daar het lot in gelegen liggen? In de beweging? Hoeveel invloed hebben wij er nou werkelijk op? We moeten er maar het beste van maken hoorde ik mijn collega’s in de thuiszorg vaak zeggen. We moeten er maar het beste van maken hoor ik mensen op verjaardagen zeggen. Mensen uit het onderwijs, de zorg, van de politie, de kinderopvang; alle beroepen die in dienst staan van de ander lijken nog het meest te lijden onder de egocentrificering (economisering) van de werkvloer, hoewel eigenlijk alle beroepen in dienst van de ander staan en het misschien niet eerlijk is om überhaupt onderscheid te maken. Ook de bouwvakkers, de schoonmakers, de vertegenwoordigers en natuurlijk de bankiers lijden. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Je hebt de keuze: of je lijdt, of je geselt. Je bent een winnaar of een verliezer, een soldaat of een slachtoffer. We moeten er het beste van maken en positief blijven, anders wordt je gek. We lijken elkaar hiermee in de tang te houden. We zijn bang om gek te worden, en juist daarom zijn we het. Angst. Angst. Angst, een slechte raadgever, maar helaas een dominerende factor in deze tijd. Of ligt die angst veel dieper in ons menszijn dan ik denk? Is het wel van deze tijd? Of is dat misschien ook een van de grote misvattingen van deze tijd, dat er zoiets bestaat als ‘deze tijd’?

Waar zijn we bang voor? Wat is gek? Het eerste wat mij opviel toen ik in de thuiszorg begon te werken, was hoe iedereen waar ik over de vloer kwam zo afweek van wat ik als normaal beschouwde. De twee voornaamste redenen hiervoor zijn denk ik de intimiteit en de ouderdom. Ik kwam bij de mensen achter de voordeur, bij hen thuis. Zodra de deur achter mij dichtviel waren het slechts hij of zij en ik. Niemand die met ons meekeek. Ze kleedden ze zich voor me uit, ze waren naakt, ontwapend, er was geen enkel laagje schijn meer dat hun bedekte, hoewel, op geestelijk vlak was dat natuurlijk nog wel zo en daarom werd de mate van gevangenschap waarin een mens zich door het leven heeft bewogen vaak zo pijnlijk duidelijk. Ik merkte dat hoe vaker mensen me zagen hoe vrijer ze werden, ze namen me steeds meer in vertrouwen, konden hun maskers afdoen en werden dan zo lekker gek, zo lekker normaal gek, zo spontaan en openhartig. Een enkeling was dat al vanaf de eerste keer dat ik er binnenstapte, soms had dat met een (ouderdoms)ziekte te maken, een psychische aandoening, iets in de hersenen waardoor ze in meer of mindere mate ontremd waren in het uiten van emoties en gedachten. Wat is dat voor een ‘ziek’ zijn vroeg ik me al snel af? Ik heb mijn mooiste momenten meegemaakt met deze mensen. Ik krijg zelfs nu nog tranen in mijn ogen als ik aan sommige van hen denk: aan de zieken, de gekken. Maar daar tegenover heb je de verstandigen, de normalen en de niet-zieken. Dat waren vaak de pijnlijkste gewaarwordingen, de momenten waarop een nette, fatsoenlijke heer zich voor mij uit moest kleden. Een situatie waarvan hij nooit gedacht zou hebben dat het ooit in zijn leven zou voorkomen. Ik kon de vernedering voelen, niet omdat ik het zo zag, maar omdat hij het zo ervoer en hij ervoer het zo omdat dit voor hem alles behalve waardig was, dit voor mij zó menselijke, stond voor hem gelijk aan niet-mens-zijn, dicht bij de dood die hij met zijn ouder worden naderde. Zo iemand overhalen om zich te laten douchen, kon tot verschillende reacties leiden, zoals woede gepaard met scheldpartijen, of verslagenheid gepaard met stilte. Er was dus of verzet, of overgave. Ze gingen de strijd aan of ze lieten zich meevoeren. In beide gevallen, hoewel er verschillend mee wordt omgegaan, is er sprake van angst, maar waarvoor? Zijn ze bang om te worden ontdaan van hun menselijkheid?

Wat is menselijkheid? Het is geen vastomlijnd begrip, zoals alle begrippen dat niet zijn, maar het bestaat in ons idee van mens-zijn. Hoe kan het dat de ene man al naakt door de kamer loopt als ik binnenkom en de andere netjes gekleed in zijn leren fauteuil blijft zitten en zegt dat hij alles nog zelf doet, terwijl dat niet zo is? De ene zijn identiteit ligt misschien minder vast dan de ander zijn identiteit. Bij de een wordt het sterk bepaald door kleding, door status en zelfregie, bij de ander misschien door naaktzijn, ‘normaal-doen’ en zich laten regisseren. Hoe dan ook, iedereen heeft zijn identiteit en die hangt samen met wie hij is als mens en wanneer dat beetje bij beetje van hem wordt afgenomen, verliest hij steeds een beetje van wie hij is en zou je kunnen zeggen dat hij steeds een beetje meer doodgaat. Vanuit die redeneertrant zou je kunnen concluderen dat ‘angst’, wat voor angst dan ook, een bang-zijn inhoudt voor verlies, zelf-verlies welteverstaan, en daarmee uiteindelijk voor de dood.

Wat is de dood? De dood is onzichtbaar, zoals alle ideeën dat zijn. De dood is wel te herkennen aan wat dood is: aan lijken van mensen, dieren en dode planten en bomen; zoals leven te herkennen is aan wat leeft: spelende kinderen, kwispelende honden en bloemen die in de lente in bloei staan. Je zou dus net zo goed de vraag kunnen stellen wat leven is als je de dood denkt te kunnen benaderen als hetgeen dat niet-leven is. En die vraag stellen wij natuurlijk ook. Voortdurend gaan wij er naar op zoek en die zoektocht is onuitputtelijk aangezien het leven oneindig is, of in ieder geval lijkt. De vorm waarin gezocht wordt, is steeds verschillend en het scheppende vermogen van de mens maakt het hem mogelijk om er steeds nieuwe vormen aan toe te voegen; hij kan het leven steeds anders indelen, combineren en bespiegelen. Er is de wetenschap en er is de kunst. Bij de een ligt de focus meer op de inhoud, bij de ander meer op de vorm, maar van een duidelijke scheidslijn is geen sprake; sommige wetenschappers zijn meer kunstenaars, sommige kunstenaars zijn meer wetenschappers. Maar de kunstenaar mag nooit zeggen dat hij iets ‘weet’, hij moet interpreteren; de wetenschapper mag niet interpreteren, maar wordt veronderstelt iets te weten te zijn gekomen met zijn onderzoek. Beide disciplines onderzoeken de werkelijkheid, dat wil zeggen hetgeen met onze zintuigen kan worden waargenomen. De kunstenaar wil weten wat zich achter die werkelijkheid bevindt. De (natuur)wetenschapper wil weten wat zich buiten de aarde bevindt of wat erin verborgen ligt. Beiden willen ze weten wat niet gezien kan worden, of sterker nog, wat niet kenbaar is, maar daar wil niemand zich bij neerleggen, want er is altijd meer kenbaar dan we kunnen denken, ook al weten we dat niet, anders hadden we dat al bedacht.

Is het dan misschien iets wat we voelen? Zijn de dood en het leven voelbaar? We denken, we redeneren, we verklaren, we verbinden oorzaak en gevolg, we schrijven het op, we structureren de chaos in onze koppies. Maar we voelen ook: kou, warmte, dingen die ons aanraken, harde dingen, felle dingen, dingen die ons lichaam bedreigen of beschermen. We kunnen zoveel lichamelijke pijn hebben, dat we er van kunnen huilen en troosten ons in de gedachte dat het overgaat. En dan is er de geestelijke pijn, het verdriet. Het lijkt wel of bij het schrijven van deze tekst de tranen me achtervolgen alsof ze de reden zijn waarom ik hier überhaupt aan ben begonnen, zelfs de reden waarom ik schrijf. Het merkwaardige aan het verdriet, het Grote verdriet, de treurnis om het bestaan, is dat ze verwant lijkt aan de Grote vreugde, de levensvreugde. Telkens – hoewel zeldzaam – wanneer ik mij ondergedompeld zie in deze twee uiterste gevoelens die mij aan de ene kant meer levend laten voelen en aan de andere kant meer dood, lijkt mijn geest te verkeren in een helderheid waarmee ik mij meer verbonden waan met zowel het grote niets als het grote alles. En juist op die momenten, zoals nu ook een beetje, dienen zich tekens aan, kleine gebeurtenissen of verschijnselen die zich aan mij kenbaar maken en waar ik als vanzelf betekenis in leg en het, net als nu, dus ook opschrijf. Tussen deze en de vorige paragraaf, midden in mijn nietige onderzoek naar de dood, krijg ik een app binnen van een vriend. Hij vertelt mij zonder omwegen dat zijn vader net is overleden. Alles wat ik opschrijf verbleekt bij dit bericht. Elk rationaliseren doet het onrecht aan. De dood is het grote niets en wordt gevoeld wanneer iets buiten jou niets wordt, iemand niemand, van bestaan naar hebben bestaan, van mens naar lijk, van het hebben van een vader naar zonder vader. Je bent alleen, en dat voel je, dat doet pijn. Ik belde mijn vriend meteen op, ik wilde hem troosten. Maar hij liet me weten dat hij daar nog niet klaar voor is, er is nog teveel chaos, het denken is verdwaald, legt een waas over de gevoelens die nog moeten doorbreken. Hij is ontroostbaar omdat hij nog niet weet waarmee hij getroost moet worden. En als het werkelijke verdriet naar buiten komt, als het hart zich samenknijpt en de adem in zijn keel blijft steken, als het echt pijn doet, dan ook is hij ontroostbaar, het gevoel is meedogenloos, de dood is meedogenloos en onafwendbaar. Later, als het ergste achter de rug is, kan men hem troosten met zijn verlies, ook hij is een beetje doodgegaan.

Troost. Waarom wil ik niet anders dan troosten en getroost worden? Het leven is voor mij een lijdensweg. Continu ben ik op zoek naar de weg van de minste weerstand, wil ik het pad bewandelen waar geen andere mensen lopen, wil ik in de zon staan die precies op de juiste sterkte straalt en wil ik zijn warmte optimaal in mijn lichaam opnemen in de meest uitgebalanceerde verhouding tot mijn eigen lichaamstemperatuur die mede bepaald wordt door hoeveel en welke kleding ik draag. Ik wil in een warm bad liggen met zelfverversend water en er niet meer uitkomen. Waarom deze vlucht uit het leven verlangen? Verlang ik soms naar de dood? Op de momenten dat het leven mij het meest benauwd, voel ik een sterke behoefte om weg te gaan. Ik wil wég. Maar waarheen? Zojuist las ik een interview in Vrij Nederland met de schrijver Arthur Japin waarin hij vertelt over zijn ongelukkig-zijn, wat hij verbindt met zijn traumatische jeugd. Vaak moest hij zijn vechtende ouders uit elkaar halen, ruzies die volledig uit de hand liepen, zijn vader sloeg zijn moeder zelfs eens een schedelfractuur. Op school werd hij ook nog eens gepest en daar vertelt hij het volgende over:

Voor het slapengaan vertelde zijn vader hem wel eens over Magonia, een denkbeeldig land waar in de Middeleeuwen in werd geloofd. De Magoniërs waren wolkenridders die niet goed konden ademen in onze luchtlaag. ‘Mijn vader kon hier niet ademen. Ik heb er ook moeite mee.’ Wat maakt deze luchtlaag voor hem zo verstikkend? ‘De mensen,’ zegt Japin. ‘Te beginnen met de klas waar ik heen moest. Ik had nooit naar school gemogen. Thuis was ik erin getraind om escalaties te voorkomen. Dat bleek funest. Het is onvergeeflijk een kind dat niet in een groep past daar toch elke dag toe te dwingen. Iedere groep vormt zich door de zwakke elementen uit te schakelen, zo is het menselijke mechanisme. Het is wat we zijn. Pesten is geen kinderspel, het is geestelijke marteling. Het is erop gericht om te doden, om je voorgoed uit te schakelen. Zes jaar oud moest ik voortdurend herhalen dat ik het niet waard ben om te leven. Dat slijt in, het zit in mijn hoofd. En ze hebben gewonnen, want het leven stopt na mij.’ Nee, hij doelt niet op zijn geaardheid. ‘Ik was helemaal niet geaard, ik was alleen maar bezig met overleven. Er is mij wel eens gevraagd een kind op de wereld te zetten. Ik heb het niet gedaan. Ik had het zielsgraag gewild, maar zou geen kind durven blootstellen aan de gevaren van een jeugd.

Zelf heb ik, voorzover ik weet, een heerlijke en onbekommerde jeugd gehad. Wanneer ik de levenspijn ervaar, wat misschien nog beter te verwoorden is als een pijn die niet aanwezig is, een niet-voelen dat zo benauwend is dat al het leven weg lijkt te zijn en dat zelfs de zuurstof letterlijk lijkt te verdwijnen en je bijna stikt in de afwezigheid ervan, vraag ik me altijd af wat mij het recht geeft om de dood zo dicht te naderen zoals alleen de grote en getraumatiseerde artiesten deze lijken te hebben genaderd of hem zelfs reeds hebben ontmoet, blijkens de werken die ze maken of hebben gemaakt. Neem bijvoorbeeld Fernando Pessoa, die in het Boek der rusteloosheid middels zijn heteroniem Bernardo Soares, een boekhouder die zijn bekentenissen over het leven zonder leven neerpent alsof hij zijn geest zo op het papier kopieert zonder de uiterlijke wereld ertussen te laten komen, hoewel die er natuurlijk onvermijdelijk doorheen schemert; het leven zonder leven beschrijven is onmogelijk, maar Pessoa weet het behoorlijk te benaderen waardoor de meeste van zijn teksten die na zijn dood zijn gevonden diezelfde dood op de hielen hebben gezeten of andersom. Zijn teksten zijn daarom ook zo benauwend voor me om te lezen; ik ben zelf te vertrouwd met de ‘waarheid’ van de dood. Maar toch, wat hij wel doet, is mij troosten. Ik sta niet alleen in mijn ongeluk en onvermogen om te leven. Waarom voel ik mij verdomme zo? Waarom troosten dingen mij die de dood naderen?

Joost Zwagerman zocht uiteindelijk de ultieme troost in de dood zelf. Arthur Japin sprak hem nog kort voordat hij zelfmoord pleegde en vertelde dat hij het erover had dat hij zelfmoord als troostgedachte zag. Japin begreep dit op dat moment niet, maar tijdens zijn allerdonkerste periode wel. “Wie zelfmoord pleegt, wil niet per sé dood, alleen weg.”

Joost Zwagerman was een gevestigd schrijver en bovendien een van de meest gelezen van zijn generatie. Zijn vader deed voordat Joost zijn leven zelf beëindigde een poging tot zelfmoord. Arthur Japin is een gevestigd schrijver, hij verloor op twaalfjarige leeftijd zijn vader door zelfdoding. Fernando Pessoa behoort tot de grootste uit de wereldliteratuur en heeft zichzelf doodgedronken, hij groeide op zonder ouders. Zij zijn kortom allemaal ‘grote’ schrijvers met een getraumatiseerde jeugd.

Dus, wat geeft mij het recht om troost te zoeken? Voor de buitenwereld ben ik geen schrijver en ik ben ook niet getraumatiseerd door mijn jeugd. Zelfs nu ik dit opschrijf, denk ik, zo slecht voel ik me toch ook niet op dit moment. Ik hoor stemmen uit mijn omgeving die in mezelf doorklinken. Sander, wees blij met wat je hebt. Je hebt een geweldige vrouw en twee prachtige kinderen. Je hebt je familie en je vrienden die om jou geven. Deze stemmen zijn stemmen, het is niet mijn stem en het is zeker niet mijn stem op de donkere momenten waarop ik weg wil. Wat heeft het leven mij aangedaan dat ik er soms van wil vluchten? Heeft het mij teleurgesteld? Misschien is dat het wel, de teleurstelling van het leven. Het eerste wat een baby doet wanneer hij geboren wordt, is keihard janken, wat doe ik hier, ik wil terug. Je eerste reactie als je in je slaap waker wordt gemaakt, is laat me met rust, ik wil verder slapen. Maar je gaat leven, je wordt wakker, de zon schijnt, je gaat leren, je probeert te verklaren, je omgeving helpt je om het te begrijpen, je leert hun taal en op een geven moment kom je terug bij de taal waar je vandaan kwam, de taal van de liefde en je probeert je verstaanbaar te maken, komt erachter dat zij jou niet begrijpt, dat ze je werkelijk niet begrijpt en dat doet pijn, het wordt donker, je wordt opnieuw geboren, het doet pijn, je staat op, je leert verder in de taal van de mensen en bam, weer verliefd, en zij ook, jij en zij, samen wij, wij begrijpen elkaar, samen zijn we alles en de rest is dat ook maar weet dat niet, tot ook wij het weer vergeten, wij wordt weer jij en zij, samen, maar weer ieder met onze eigen taal, opnieuw geboren in de wereld en er komen kinderen en we worden weer wij, maar zij worden een ik en zo zijn we een gezin met ikjes en ikken. Op ons werk zijn wij collega’s, maar ook ikken en de maatschappij is een wij met ikken, individuen die op willen gaan in een wij, dat veilige gemeenschapsgevoel, erbij horen, verbonden zijn, verbonden willen zijn met wat? Met elkaar? Met de mensen waarvan wij vinden dat ze bij ons horen? Wie hoort er bij ons? En wie niet?

Iedere groep vormt zich door de zwakke elementen uit te schakelen, zo is het menselijke mechanisme. Het is wat we zijn… Het is erop gericht om te doden, om je voorgoed uit te schakelen.

Nederland is een groep Nederlanders, Europa is een groep Europeanen, het Westen is een groep Westerlingen. Syrië is een groep Syriërs, Azië is een groep Aziaten en het Oosten is een groep Oosterlingen. Het Kapitalisme is een groep Kapitalisten, het Communisme is een groep Communisten. Binnen al deze groepen bestaan weer andere groepen. Wat hen verbindt, is de groepsidentiteit, en dat is niet iets wat ‘is’, maar het is iets wat groeit en zodra het benoemt wordt tot stilstand komt en daarmee iets is dat is verzonnen, maar daardoor toch reëel in de wereld zoals wij die als onderdeel van die wereld en van bepaalde groepen ervaren en proberen te duiden. Wij, Nederlanders, de groep waar ik toe behoor, waarvan ik de taal machtig ben, zijn weer tezamen een individu in de groep van Europa, het Westen en van de Kapitalisten. Wij zijn werknemers van bedrijven die daar in nog kleinere groepen weer onderdeel van uitmaken. De consequenties hiervan zijn, dat we mee moeten doen, en niet alleen dat, we moeten sterk zijn, we moeten de groep waardig zijn. Zijn we zwak, dan zijn we de groep niet waard en worden we afgestoten. Omdat wij allemaal onderdeel zijn van, moeten wij allemaal sterk zijn, we moeten kunnen concurreren, we moeten vechten, we moeten winnen. Je hoort bij de winnaars, of je hoort bij de verliezers. Je gaat failliet, of je maakt winst. Je doet wat de baas zegt, of je wordt ontslagen. De strijd wordt heviger naarmate bepaalde groepen sterker worden; andere groepen moeten hun best doen om bij te blijven, weer andere groepen worden opgeslokt, overwonnen en geplunderd. De groepen groeien niet evenredig in aantal mensen en hoeveelheid land, grondstoffen en geld die ze hebben gewonnen in de strijd. Juist niet. De groepen weten met steeds minder mensen de macht te handhaven en uit te breiden en er is steeds minder ruimte voor nieuwe toetreders. De groepen die achterblijven moeten om te kunnen concurreren mensen lozen om als collectief niet ook van het toneel te moeten verdwijnen. De werkloosheid stijgt. En juist niet bij de sterksten, niet bij de sterkste bedrijven, niet bij de sterkste landen – hoewel ook deze versplinteren, – maar bij de zwakkeren en ‘zij,’ de allerzwaksten, kloppen nu aan onze poorten. Zij willen bij de sterke Wij horen. Zij vluchten voor geweld dat in de vorm van bommen uit de hemelt komt denderen of honger door gebrek aan geld waar zij geen recht op hebben. De armen, de oorlogsvluchtelingen, de werklozen, dat zijn de zwakkeren, de verliezers. Deze groep is aan het groeien en niet alleen buiten onze landsgrenzen. Grotendeels voltrekt zich dat buiten het oog, in ieder geval buiten het oog van de beeldvorming, van de massamedia die toch met name in handen is van de elite, van een kleine groep winnaars. Althans, ze worden wel in beeld gebracht, maar niet wie zij zijn. De werklozen in ons eigen land vallen ook buiten de groep, buiten hun werk, buiten de maatschappij. Ook zij worden wel genoemd in de media, er wordt wel over ze gepraat, ze zijn nog wel een getal, 1 van 600.000 in Nederland, maar dragen geen naam meer die ertoe doet, waar naar gevraagd wordt, behalve dan door het UWV die ze opjut om zo snel mogelijk weer aansluiting te vinden, wat ze zelf ook willen, maar wat steeds moeilijker wordt naarmate er minder plek voor ze is. De werkenden zijn als de dood om ook buiten de groep te vallen, ze weten hoe moeilijk het is om dan weer terug te komen. De groep waar ze toe behoren, hun werkplek, hun collega’s, stelt ze echter wel steeds meer teleur omdat ze zichzelf steeds meer moeten wegcijferen ten behoeve van het collectief, van het bedrijf. Ze gaan zich, net als de werklozen, steeds kwetsbaarder en eenzamer voelen. Ze klampen zich steeds meer vast aan wat hen als persoon definieert, de groep waar ze volgens zichzelf nog altijd toe behoren. De ‘ander’ wordt voor hen steeds meer een bedreiging.

Dit zijn de geluiden die Joris Luyendijk van bankiers en van toehoorders van zijn lezingen opvangt. Dit zijn de geluiden die ik op verjaardagen hoor. Dit zijn de geluiden die ik op mijn werk hoorde. Ik hoor ze in de machteloosheid van de mensen, in hun omzeilende woorden van frustratie, want de eenzaamheid wordt niet benoemd, niet door henzelf, niet door anderen, totdat ze tot een nieuwe groep behoren, de groep die wij kwijt willen, de ‘labbekakkers’, de ouderen, de gehandicapten, de werklozen, de sociaal geïsoleerden, de eenzamen. Ze worden een getal dat weggewerkt moet worden, 50.000 eenzamen in Den Haag, mijn stad, meer dan een miljoen (Coalitie Erbij) in Nederland, mijn land. En dat aantal zal niet slinken, maar toenemen. Die mensen zijn geen cijfers, maar mensen, en juist de economische benadering van alles, maakt ironisch genoeg dat hoe meer vanuit het economische gedachtegoed getracht wordt dit aantal te reduceren, dat dit aantal toeneemt, vooral ook omdat de meesten niet in de voor de economie en politiek relevante statistieken voorkomen, zij vallen buiten de statistiek. Geen mens, geen getal, nul, precies hoe sommigen van hen zich voelen, niets, dood.

Het enige offensief dat de verliezers in de strijd kunnen gooien in plaats van geweld, als ze niet alles op alles willen zetten om toch mee te blijven doen en zich weer bij de winnaars aan te sluiten, is hun kwetsbaarheid, datgene wat hen ook tot verliezer heeft gemaakt. Op een dag zal alles anders zijn, zal deze tekst, of in ieder geval datgene waaruit deze tekst zijn oorsprong heeft gevonden, tot de geschiedenis behoren. Wellicht zullen de kwetsbaren dan winnaars zijn, en de winnaars verliezers, en is er dus weer een nieuw probleem, of gewoon een nieuw spelletje dat gespeeld moet worden. Het leven is wat dat betreft cyclisch, of beter nog, spiraalvormig, alles herhaalt zich, maar steeds in een andere hoedanigheid, in een andere vorm, en wat ik probeer te beschrijven is de vorm die het leven, mijn leven als onderdeel van groepen waar ik wel en niet toe behoor, nu heeft aangenomen. In dit opzicht is er dus wel degelijk sprake van een ‘deze tijd’, ook wel ‘moderne tijd’ genoemd, wat elke tijd natuurlijk is wanneer het tegen de geschiedenis wordt afgezet. Deze tijd is de vorm van deze wereld, maar ook van mij op dit moment. Vandaag is vandaag, maar zoals de laatst geschreven woorden van Fernando Pessoa me vertellen: “I know not what tomorrow will bring.”

Ik leef. Ik leef in deze tijd. Ik ben een schrijver, van weinig economisch nut. Ik sta momenteel langs de zijlijn, zit op de bank, een bankzitter, een verliezer. Toch voel ik een kracht in me, een strijdlust, een moedig hart dat zichzelf en zijn lotgenoten wil troosten om zo met hen de strijd aan te gaan tegen de onderdrukkers zoals de hoofdpersoon in de film Braveheart de schotten verenigd in hun strijd tegen de Britse overheersing. Dit hier, de taal, is waarmee ik mij verdedig, maar wat daarachter ligt is nog belangrijker, namelijk de kwetsbaarheid, de droevenis over het bestaan, het verdriet. Dit wapen ligt in ons allen verscholen, en met een flinke dosis moed en gevoel van verbondenheid, kunnen wij, de eenzamen, hem oppakken en de strijd aangaan zonder bloed te vergieten, door onze tranen te tonen. Wij zijn allen verdrietig en daarom niet alléén. Wij zullen de vrede bevechten doormiddel van compassie. Door te laten zien dat wij om onszelf treuren, omdat wij van onszelf houden en daarmee ook van hen, van de anderen: de mensen waarvan we gescheiden zijn, de mensen die wij pijn hebben gedaan, de mensen die ons hebben verlaten, de mensen die óns pijn hebben gedaan. Geloof me, iedereen is getraumatiseerd, iedereen is weggerukt bij hetgeen waar hij vandaan is gekomen en moet het doen met dit leven. Daarom, is elk lijden oprecht en geoorloofd, je hoeft jezelf dit recht niet te ontzeggen. De Groten der aarde, zijn de kleine der aarde. Bedenk dat hun kwetsbaarheid ze groot heeft gemaakt. De groep is altijd kleiner dan het individu. Wij dragen de wereld in ons hart. Het leven. De dood. God.

Michael Kiwanuka “I’m Getting Ready” from Yours Truly on Vimeo.

Oh my, I didnt know what it means to believe
Oh my, I didnt know what it means to believe
But if I hold on tight is it true?
Would you take care of all that I do?
Oh Lord, I’m getting ready to believe.

Michael Kiwanuka bezingt in zijn nummer I’m getting ready dat hij zich openstelt voor het geloof. Wat is het geloof? Zijn wij niet allemaal ergens naar op zoek? Wetenschappers, kunstenaars, dichters, schrijvers, muzikanten, allemaal mensen net als de rest, op zoek naar het waarom. Waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Is er misschien iets of iemand die het kan verklaren? God, wie is god? Is hij dood, zoals de grote denker en filosoof Nietzsche beweerd? Het geloof is een steeds minder grote rol gaan spelen in ons leven, vooral sinds de ontzuiling en secularisering van de maatschappij. Waar God eerst nog voor veel mensen een zekerheid was waar aan kon worden vastgehouden, is Hij zijn hoofdletter kwijtgeraakt, een hij geworden en is er niemand die hem heeft ontmoet, dus bestaat hij niet, hij is nu een zekere onzekerheid. We weten het niet. We kunnen hem niet verklaren met de beperkte middelen en binnen de bestaande systemen die wij tot onze beschikking hebben buiten de kerk om. Wij leven buiten de kerk, de uiterlijke wereld regeert. Waar moeten we naartoe met ons innerlijk? Het kan toch niet zo zijn dat mensen altijd de behoefte hebben gehad aan een geestelijk leven, naast een lichamelijke, en dat dat nu verdwenen is? Welke wereld ligt er verscholen achter de begrijpelijke uiterlijke wereld? Wat doet er zo’n pijn, waarvan we de oorzaak niet kunnen achterhalen. Is het de angst om dood te gaan? Is het de angst om te leven? Of is het beide. Staat de angst om te leven gelijk aan de angst om dood te gaan? Ik ken momenten uit mijn leven waarop ik nergens anders wilde zijn dan dáár waar ik was. Ik was verliefd. Ik ken momenten uit mijn leven waarop ik nergens wilde zijn, ik wilde wég, weg van alles. De eerste keer dat ik dat laatste ervoer, noemde ik het liefdesverdriet, daar begon het mee. De tweede keer was onlangs, vlak nadat ik mijn baan had opgezegd, en was een verdriet om mezelf. Het heeft te maken met het besef, dat wij, dat ik, verloren ben. Ik ben niet een ander kwijtgeraakt, maar mezelf. Ik wil mezelf terug, maar het lukt me niet, hoeveel ik ook zoek. Het weg willen en het er zijn, zijn aan elkaar gekoppeld. Er zijn is opgaan in het leven, weg willen is willen-opgaan in het leven. Alleen dat kan niet, althans, het kan niet geforceerd worden. Liefde overkomt je, maar is tijdelijk. Het enige definitieve opgaan in het leven is de dood. Zonder jou gaat het leven immers door. Mijn leven gaat door terwijl een deel van mij lijkt te zijn overleden, ik kan hem niet meer vinden. Dat deel van mij, dat zit in iedereen, dus ook in mezelf, het is mijn ziel.

Mijn ziel is mijn vriend. Hij is niet dood, hij ís de dood. God is niet dood, Hij ís de dood, Hij is mijn ziel waar ik niet bij kan. Hij is het grote niets, het onbekende, het deel van ons dat geen betekenis heeft in de verklaarbare wereld. Maar God, onze ziel, mijn vriend, is tegelijkertijd het leven, het alles, hetgeen dat alles zin geeft en ons troost. De laatste teksten die ik heb geschreven en nog niet heb gepubliceerd omdat ik bang ben dat ze niet zullen worden begrepen, zijn gebeden. Ik bid en vraag naar mijn vriend, mijn lieve vriend waar ik in gedachten mee telefoneer. Hij vertelt mij de juiste dingen om door te kunnen gaan, maar soms laat hij me in de steek, of lijkt dat zo en hoor ik niks, dan is het donker, héél donker. Eén van de dingen die hij me onlangs influisterde, was dat ik sterk moet zijn, door moet zetten, moed moet tonen en moet opkomen voor de eenzamen, voor de kwetsbare minderheid. Niet alleen vandaag, maar ook morgen als alles voor mij misschien weer anders is. Ik kan dat, omdat ik hen begrijp. Ik begrijp hen, omdat ik net als hen ben. Dit is niet iets wat ik weet. Dit is niet iets wat ik voel. Dit is iets waarin beide samenkomen. Dit is iets wat ik geloof.


Als schrijver wil ik je helpen door je via mijn teksten troost te bieden. Als lotgenoot wil ik je vragen om mij en anderen te troosten door jouw verhaal met ons te delen. Dit kan door mee te doen aan Aap Blog Mies: www.aapblogmies.nl. Aap Blog Mies is een platform waarop mensen die zich op wat voor manier dan ook eenzaam voelen, hun stem kunnen laten horen. Hopelijk vinden wij hiermee steun aan elkaar en kunnen de verhalen bijdragen aan meer begrip omtrent eenzaamheid.

2 gedachten over “Eenzaamheid”

  1. Vragen, vragen, zoveel vragen. Blijf vragen zou ik zeggen maar verwacht geen antwoorden op de echt fundamentele vragen anders dan in ontkennende vorm. De waarheid is niet in concepten te vangen; je kan alleen zeggen wat het niet is.
    Sri Nisargaddata in ‘I am That’: ‘You give reality to concepts, while concepts are distortions of reality. Abandon all conceptualisation and stay silent and attentive. Be earnest about it and all will be well with you’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.