Halve temeier

sexy nurse

“Ik dacht dat er een vrouw zou komen?”

“Nee, ik ben het, een man. Maar bijna al mij collega’s zijn inderdaad vrouwen.”

“Nou ik zal je vertellen, ik heb er nu een paar gehad, van die vrouwen, en er zitten lekkere bij hoor. Er is er eentje met een brilletje, nou die mag er best wezen,” zegt meneer als ik zijn woonkamer binnenstap, op zoek naar de map, om te kijken wat ik hier nou weer in godsnaam moet doen.

“Ja die zijn er ook ja, met een brilletje,” zeg ik maar om wat terug te zeggen.

“Jaaa, maar die kan je afzetten hè.” Hij gniffelt erbij. Ik lach in mezelf, om het type dat ik nu weer naast me heb zitten. Als ik opkijk van de map zie ik een grote portretfoto die pontificaal op een aparte salontafel is gezet, als een soort heiligdom.

“Dat is mijn vrouw. Die mocht er ook wezen hoor. Ze is een Colombiaanse, nou dan weet je het wel hè.”

“Heeft u uw medicijnen al ingenomen?”, vraag ik om toch even ter zake te komen.

Meneer loopt naar een grote houten kast in de kamer, op zoek naar zijn pillen vermoed ik. Hij komt echter met iets anders terug.

“Hier, moet je kijken, dit is het elftal waarin ik speelde. Hier rechts Johnny Jansen, daarnaast Timmie Verkerk en Sjoerd Poltema. Hiero: Bas de Lange en Kees Toenstra. Met al die jongens heb ik nog samen gespeeld.

Ik kijk naar de zwart-witfoto, voor meneer een museumstuk van eeuwige waarde. Voor mij slechts een plaatje met jongens in korte broek en voetbalkousen.

“Die namen zeggen mij niks, die zijn duidelijk van voor mijn tijd,” moet ik hem teleurstellen. De namen van mijn tijd zeggen me al niet zoveel, laat staan deze.

“Ja een mooie tijd was dat. Die tijd, dat waren de tijden. Toen kon ik nog elk wijf krijgen, geloof me maar knul. Maar nu zit ik er ook niet om verlegen. Af en toe komt er hier gewoon zo’n halve temeier over de vloer. Weet je wat dat is? Een halve temeier?”

“Een halve niet nee, maar een hele weet ik wel. Hier zijn uw medicijnen overigens.” Ik zag ze staan op de vensterbank, een hele rol met baxterzakjes van de apotheek. De pillen voor de volgende ochtend leg ik klaar op het aanrecht. Zo staat het in het zorgplan.

“Ik moet weer verder meneer. Morgen stuur ik wel weer een vrouwelijke collega van mij langs,” beloof ik hem met een glimlach.

“Zo mag ik het graag horen knul,” ondertussen staart hij naar zijn op een voetstuk geplaatste vrouw, zijn voetbalelftal nog steeds in zijn rechterhand. Er zijn niet veel momenten, dat ik medelijden heb met vrouwen die in de zorg werken.