Heerlijk, ruzie

boxing-gloves

Mijn jongste dochter bungelt over mijn rechterarm, mijn baby-arm. Mijn oudste is weg met mijn vrouw, naar dansles. Ze is pas twee jaar, maar we hebben grote verwachtingen. Deze hier is twee maanden en verkrampt nu al bij het idee van groter worden. Ze krijst zo hard dat de rode besjes uit de grootste boom in onze tuin vallen. Hoewel het ook aardig waait, stormt zouden de mensen met een paar dakpannen minder zeggen, trilt de wereld meer bij nieuw leven. Waarschijnlijk om het goed tot je door te laten dringen dat het er is.

Als eindelijk na lang wiegen en rondjes lopen haar oogjes toe gaan, leg ik haar in de wieg. Twee tellen later begint ze weer met het persen van lucht langs haar gloednieuwe stembandjes. Melodieus klinkt het helaas nog niet. Ik pak haar weer, leg haar op mijn baby-arm en loop weer een paar rondjes door het huis tot ze slaapt. Dan leg ik haar weg, tot ze weer begint te huilen. Wat meestal binnen een paar minuten het geval is. Dit ritueel herhaalt zich zo’n vijf keer. Als ze de laatste keer wakker wordt, laat ik haar liggen en steek buiten een sigaret op. Ik rook niet, maar ik zoek een uitweg. Misschien dat ik op kan gaan. Dat ik kan inhaleren en kan wegzweven. Als een dunne mist die langzaam langs die hoogste boom omhoog kruipt. Ik rook, en staar naar de rode besjes in mijn nieuwe gras. Mijn pas ingezaaide groene hoop. Verdomd als het niet waar is heeft het een paar dagen terug de kop op gestoken, zonder een kik te geven. Heerlijk, stilleven.

Ineens staat mijn vrouw in de tuin en komt ook die kleine dreumes aanlopen. “Wat doe jij?”, vraagt m’n dochter. Vanuit het huis hoor ik nog steeds een gedempte klaagzang. Het zou het geluid van afgelopen verbouwing kunnen zijn. Van cirkelzagen en slijptollen. In het begin krast het geluid ergens aan de binnenkant van je schedel. Tot je lichaam op een gegeven moment gewend raakt, waarschijnlijk door een natuurlijk afweersysteem. Een hersengebied dat bepaalde zenuwbanen afsluit. “Ja dat vraag ik me ook af,” zegt mijn vrouw erachteraan. In een klap sta ik weer met beide benen op de grond. Met een harde smak ben ik uit die hoogste boom uit onze tuin gedonderd. Het gras wuift weer de andere kant op en ik hoor ineens weer het gekrijs van de baby bij me naar binnen waaien. Vrouwen weten mij goed wakker te krijgen. Heerlijk, zo’n huis vol.

“Ik zou haar zo weer gaan pakken. Ze heeft non-stop gehuild sinds jullie weg zijn.” Ik neem nog een grote bemoedigende trek van mijn sigaret. “Sinds wanneer rook jij?” Snel neem ik een nog diepere teug dan de vorige. Ik weet dat we nu op een onomkeerbaar punt staan. En dan heb ik het niet over ons grote levensverhaal. Maar “this is where the fight starts”. De boksring, de tuin die we nog maar net hebben. Als ik nu niet uitkijk, zijn we hem net zo snel weer kwijt. De inboedel uit ons vorige huis heb in de weken na de geboorte van onze eerste dochter veelvuldig verplaatst zien worden. Ik heb het hier niet over een grote lenteschoonmaak. Dit kan ontaarden in een wervelwind die over een lengte van twee kilometer schade kan aanrichten. Heerlijk, herfst.

Het gevecht

“Ik heb sigaretten gekocht omdat ik knettergek word. Ik moet af en toe even kunnen ontspannen.”

De aanval

“Jij ontspannen? Laat me niet lachen. Je voert geen flikker uit. Wie ligt hier nou om de twee uur met een kind aan de tiet?”

De verdediging

“Precies. Ik heb die dingen niet. Waar moet ik ‘r aanleggen als ze in m’n armen ligt te creperen en m’n gehoorbuizen doormidden zaagt?”

“Ik ben een uurtje weg geweest.”

“Ik heb haar continu heen en weer staan wiegen en ik heb duizend rondjes door het huis met ‘r gelopen. Ik heb haar steeds weggelegd en weer opgepakt als ze ging huilen. Ze ligt nu net weer een paar tellen te krampen en te janken terwijl ik hier uit pure wanhoop een sigaret sta te roken.”

Een linkse

“Hoe weet ik dat ze hier niet al een uur ligt te huilen terwijl jij lekker in de tuin staat te chillen met een peukie? Hoe moet dat straks als ik weer ga werken? Ik vertrouw je voor geen meter.”

Een rechtse

“Dan had je niet met me moeten trouwen.”

En hop, daar gaan we al onder de gordel

“Nee, ik had beter een vent kunnen zoeken met ballen die niet nog steeds in de boxershorts loopt van z’n moeder die haar hele leven alles voor hem heeft gedaan.”

“Ja, ik denk dat jij beter met je vader had kunnen trouwen, de liefde van je leven.”

Spugen op je tegenstander

“Jij bent een…. weet je dat.”

“Ja en jij bent echt een …..! en een …..!

Alleen het natrappen is hier nog buiten beschouwing gelaten. Na dit bloedbad, het gras is op dit moment echt groener bij de buren, zijn wij beiden verslagen. M’n oudste dochter was gelukkig ondertussen wijselijk de rode besje uit het gazon gaan rapen. Onder de hoge boom waar ze uit zijn gevallen voelde zij zich hopelijk veilig. Dat was buiten de ring. Een hele andere wereld dan waar wij ons zoëven in begaven. Mijn vrouw is uiteindelijk naar binnen gelopen om de baby te gaan voeden. Ik loop als een gedesillusioneerde vader naar mijn dochter onder een dak van bladeren. Dit is een van de weinige bomen die nog al zijn groen behouden heeft. Alleen zijn besjes verliest hij. Samen plukken we de laatste rode bolletje uit het heerijk stille gras.

Pas laat op de avond, vlak voor het slapen gaan. Als mijn oudste eindelijk in haar bedje ligt. De jongste even haar ogen sluit in het wiegje naast ons bed. Dan is er verzoening. Hoe dit werkt, kan ik nog weleens uitvoerig opschrijven. Vroeger kwam het in ieder geval altijd uit op ongecontroleerde, dierlijke seks. Tegenwoordig zijn wij wel wijzer.