Het houten been – deel 2

Het gezang aan dek zwol aan. Dronkemansliederen, uit de maat op de deining van onvoorspelbare golven. Vals gejengel, van sint Bernardshonden op momenten dat er een ambulance langs komt. De alcohol vloeide rijkelijk. Alle hands aan dek hunkerden naar één ding. Maar er was geen vrouw

aan boord op een klein meisje na. Dat meisje was ik. Het houten been van de bebaarde zeeman kwam weer in beweging. Het dreunde op de treden van het trappetje de kajuit in. Vlak voor mijn knieën, waar ik mijn beide armen omheen had geslagen, bleef hij stilstaan. Hij keek mij doordringend met één oog aan en zei:…

“Ach mijn lieveling”. Godzijdank was het een vrouwenstem. Ik kroop bezweet onder mijn deken vandaan. Bang en verdrietig keek ik naar mijn tante.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.