Het huwelijk

oud getrouwd en versleten

“Godverdomme, wat ben je laat man!” Ik buk om de krant te pakken die op de deurmat ligt. “Ik weet dat jij d’r niks aan kan doen, maar ik hang straks weer aan de lijn hoor. Tussen negen en tien heb ik gezegd, hoe moeilijk kan het zijn godverdomme. “Alstublieft meneer”, ik overhandig hem het AD.

“Let maar niet op hem hoor,” zegt zijn vrouw, “laat maar lullen.” “Laat maar lullen zegt ze. Daar ben ik nou mee getrouwd, kan je het je voorstellen? “Nou, dat vragen de kinderen altijd aan mij, hoe ik het in hemelsnaam al die tijd met jou heb volgehouden.” Mevrouw schud haar hoofd en kijkt me veelbetekenend aan.

“Vijfenzestig jaar alweer over een maand,” zegt haar man en hij ploft neer in zijn zetel achter het raam. Hij zit tegenover zijn vrouw, haar rechterarm zit in het gips, samen kijken ze naar buiten. “Heb ik al die tijd toch goed voor je gezorgd,” zegt hij sarcastisch. Hier hapt zij dan weer gretig toe. Hun dialoog is het levenswerk van een huwelijk. Een geperfectioneerd theaterstuk waarin beide hun rol tot in hun diepste vezels kennen. Alles lijkt echt, en dat is het ook, maar toch is het toneel.

Hun dialoog is het levenswerk van een huwelijk. Een geperfectioneerd theaterstuk waarin beide hun rol tot in hun diepste vezels kennen. Alles lijkt echt, en dat is het ook, maar toch is het toneel.

“Jij voor mij gezorgd, je moet blij zijn dat je te eten krijgt, ik heb hier altijd alles moeten doen. Moet je dat nou zien zitten,” richt mevrouw zich tot mij, met een knikje wijzend naar haar man. “Hij heeft een ijzeren reet met een magneet in z’n stoel, hij smeert nog geen boterham zelf.”

“Zullen we maar,” haak ik hier op in, “even de billen roestvrij maken?” Onder het wassen feliciteert meneer mij met mijn huwelijk. “Ik hoorde het van een collega van je.” Als hij aangekleed en wel de kamer weer inloopt zegt hij het ook tegen zijn vrouw. “Nou succes ermee,” zegt ze cynisch.

Als ik in de rapportage schrijf kibbelen ze op de achtergrond lekker door. “Zo met die arm van je neem ik je niet mee,” hoor ik hem zeggen. “Nee? Dan ga je toch lekker alleen naar ons trouwfeest. Het kan mij gestolen worden.” Ik schrijf op dat ik meneer heb geholpen met wassen en aankleden. Tegelijkertijd vraag ik me af: In vijfenzestig jaar kan er toch veel gebeuren, maar zal ik ooit mijn tekst vergeten? Zal ik eens niet zeggen: “Zo, zullen we nu gaan,” als mijn vrouw zich in haar pyjama nog aan het opmaken is? Zal zij ooit uit haar rol vallen, door hier niet op in te gaan?

Ik sluit de map. “Tot ziens.” Ze schrikken op uit hun spel. “Tot ziens jochie, en volgende keer op tijd komen hè,” zegt meneer met een brede grijns op zijn gezicht. “Let maar niet op hem hoor,” herhaalt mevrouw. Ze leven wel niet lang meer, maar ongelukkig is het ook niet.