Hollands eerste naaktloper

Naaktlopen
Illustratie: Arthur de Pins

“Ben je gek, ik zit altijd in de zon, maakt me niet uit hoe warm het is. Vroeger liep ik ook altijd met m’n shirt uit, maar tegenwoordig doe ik dat niet meer. Het liefst had ik altijd zo weinig mogelijk aan,” vertelt meneer mij trots.

“Het liefst liep u gewoon poedelnaakt over straat,” grap ik. “Nou ik zou je vertellen,” begint meneer met een glinstering in zijn ogen, “ik was de eerste Hollander die al z’n kleren uittrok op het strand, bij Bergsendaal. Inmiddels is het een naaktstrand, maar toen nog absoluut niet. Iedereen was zo preuts hier in dit land, dat wil je niet weten. Mensen wisten niet wat ze zagen. Ik zal je vertellen, op een gegeven moment werd ik in de stad zelfs herkent. Mensen die ik nog nooit eerder had gezien, begonnen me spontaan te begroeten.”

“Omdat ze u naakt op het strand hadden zien lopen?”, vraag ik even ter verifiëring. “Ja, en dan liep ik op ze af van wat leuk dat u me nou begroet, maar ik weet helemaal niet wie u bent. En dan zeiden zij: maar wij kennen u wel, van het strand.”

Meneer buldert van het lachen en ik lach hard mee. Ik zie het ongeveer voor me, niet tot in detail gelukkig, maar het globale plaatje. Meneers hoofd trots boven de branding, zijn fiere tred begeleid door wuivend duingras. Opstuivend zand bij elke stap die hij in z’n blootje zet. Af en toe passeert er iemand in een pantalon met slechts de pijpen ietwat opgerold, daarboven een overhemd met eroverheen een broeierige spencer. En dan de verbijstering op de gezichten als ze hem voorbij zien komen. Eerst kijken ze naar meneers kale schedel bedekt met zweetdruppeltjes. Zijn joviale trotse blik ontwijken ze. Dan volgen ze zijn baard naar benden en blijven even hangen bij het zien van zijn hoeveelheid borsthaar. Meneer ziet op het moment van passeren nog net hoe de hoofden rood aanslaan, hoe ze het nog warmer krijgen onder hun nette kleren.
“Dat ze u dan wel durfden te begroeten. Je zou denken dat ze zich misschien schaamden tegenover u. Ze hebben u immers in uw blootje zien lopen.”

“In het begin ontweken ze me allemaal. Maar langzaam begon het te veranderen. Er waren toch ook wel invloeden van buitenaf die mensen aan het denken zette. De kentering kwam vooral toen onze oosterburen hier ineens vakantie gingen vieren. Dat ze hier in hun blootje op het strand lagen bleef voor velen ongemerkt, tot ze met hun hoofd eens boven zo’n Duits stukje afgegraven zandvlakte hingen. Verontwaardiging maakte al snel plaats voor jaloezie en voor je het wist zag je sommige landgenoten ook de kleren uitrekken. In het begin waren het nog onbeholpen amateurs. Dan gingen er vijf in een kringetje staan met één iemand in het midden. Diegene kleedde zich uit tot een handdoek om z’n middel over bleef. Daarna ging hij meteen plat op de buik liggen, even de schaamstreek schuren in het zand. Het mocht nu in de uitverkoop, maar het was nog geen prijzencircus.”

“En de rest is zeker geschiedenis? ”,vroeg ik nog. “Jazeker m’n jongen, zo is het allemaal begonnen. Toch blijft het een preuts volkje hoor. Laatst liep ik over de boulevard van Scheveningen, zie ik steeds allemaal voorbijgangers stilstaan voor een kuil. Uiteindelijk ging ik toch ook even kijken. Bleek er enkel maar een man in te liggen, gewoon met zijn witte wangen in het zand. Ik hoef je niet te vertellen dat hij geen Hollander was.”