Horren verhaal

20131001-220212.jpg

Na drie keer aanbellen doet mevrouw nog steeds niet open. Dit is geen verrassing voor me. Ik weet dat ze nog in bed ligt. Ook weet ik dat ze haar deur van binnenuit op slot heeft gedraaid. Ik weet niet of ze de bel nou hoort en gewoon blijft liggen of dat ze er daadwerkelijk doorheen slaapt. Ik weet wel dat zij zelf geen enkele reden ziet om op te staan.

Later in de ochtend kom ik terug. Dit keer doet mevrouw wel open. Ze ziet er even vermoeid en even onverzorgd uit als altijd. Haar huis is een muf hol waarvan je je geen voorstelling kunt maken als je niet in de thuiszorg werkt. Het ruikt er naar een mengeling van ongewassen kleding, bedorven etenswaar, oud papier, zweet en urine. Het is alsof de dood je in je gezicht ademt.

Ik volg mevrouw door haar appartement. Elk deurportaal waar ik doorheen moet is voorzien van een ouderwetse hor. Het zijn een soort kralengordijnen zonder kralen. De slierten die in de deuropeningen hangen zijn gemaakt van dikke repen stof waarin het wemelt van de bacteriën. De horren zijn hier waarschijnlijk in een ver verleden geplaatst om de beesten buiten te houden. Nu zijn ze zelf gaan leven.

Met ingehouden adem en mijn ellebogen voor me uit, trotseer ik de jungle. Uiteindelijk neem ik plaats op een bank tegenover mevrouw. Ik geef haar de medicijnen die ik heb meegenomen. Ze neemt deze zwijgzaam in, samen met een sneetje brood en een kop thee. Als alles binnen is, vraag ik: “Heeft u zin om even met mij naar buiten te gaan? Even een frisse neus halen?”

Op straat sloft mevrouw voort. Ik loop ernaast en zie hoe bij elke stap die ze zet haar hielen uit haar schoenen schieten. “Ik heb verder alleen maar schoenen met hoge hakken,” legt mevrouw mij uit voor ik ernaar vraag. “U moet nieuwe hebben,” zeg ik terwijl mevrouw een paar stukjes afgescheurd tissue in de neuzen van haar instappers propt. “Ja, ik zal weleens gaan kijken,” houdt mevrouw zichzelf voor de gek. “Kan uw familie u niet helpen?”, vraag ik bezorgd. “Die heb ik niet, sinds mijn man is overleden ben ik alleen.”

“Heeft u er nog zin in?”, wil ik vragen. Maar ik bedenk me dat het antwoord al ligt besloten in de horren van haar appartement. In de kraalloze kettingen tussen de kamers van haar flat. Mevrouw beweegt op de wind die haar uit bed tilt en die haar horren laat wapperen. Deze gaat niet liggen. Nooit. Ze moet doorgaan tot ze transparant wordt, tot niemand haar meer ziet. Dan blaast hij door haar heen. Maar liggen zal hij niet.