Dag 4

Ik zat met Vita op schoot. Het hulpeloze hummeltje wist zich geen houding aan te nemen, ze was nog steeds ziek. Ze had haar trappelzak al aan om zo te gaan slapen. Mandy had deze bij haar aangedaan en daarna had ze haar aan mij overhandigd. De rollen waren zo verdeeld dat ik Vita naar bed bracht en zij Gioia. In deze verdeling kon ik mij prima vinden. Doorgaans hoefde ik Vita alleen een fles warme melk te geven en in bed te leggen en was ik klaar. Op de momenten dat ik haar over de spijlen van haar ledikantje heen tilde en liet zakken op haar kleine matras met aan het hoofdeinde een gekke hertenknuffel met een groot hoofd en grote ogen, die ze dan als ze op haar buik lag met een arm pakte en dicht tegen zich aan drukte, dan lag Mandy nog in het kamertje ernaast met Gioia in bed. Daar bleef ze tot zij sliep. Zijzelf viel dan ook vaak in slaap en dan was het mijn taak om haar te wekken. Deed ik dat niet, dan kwam ze soms een uur later met rooddoorlopen ogen de woonkamer in en was ze boos op mij omdat ik haar liet liggen en ze daardoor niks meer aan haar avond had. Soms kwam ik te vroeg, lag Gioia nog wakker naast haar, en moest ik een tweede poging wagen. Soms deed ik de slaapkamerdeur open en zag ik haar liggen met haar rug naar mij toe, haar billen staken dan half uit het kleine bedje, ze draaide haar hoofd met een knik naar me toe bij het horen van het kraken van de deur en zei dan meer dan eens geïrriteerd: “Jaha, ik kom.” Door de manier waarop ze het zei in combinatie met hoe ze naar me keek, zag ik waar ze vandaan kwam, uit welke slaap. Was ze diep weggezonken, dan keek ze vaak nog grimmiger en klonk haar stem bozer. Ze gebaarde dat ik weg moest en ik wist, die komt niet, die valt weer weg. Dan kwam ik een tweede keer en bleef net zolang staan tot ik tot haar doordrong en haar aanstalten zag maken, tot ik zag dat zij zichzelf optrok aan het ijzeren frame aan de kop van het bed.

Nu was het anders. Ik bleef in de woonkamer zitten met een onrustig wezentje. De hele dag wist ze niet wat ze met zichzelf aan moest. Ze dronk en ze at amper. Ze had geen koorts meer, maar daar was alles mee gezegd. Het grootste gedeelte van de dag zat ik met haar op schoot. Zodra ik haar weg legde, zelfs wanneer ze sliep, ging ze huilen en moest ik haar weer oppakken. Mandy lag overdag op bed, zij was ook ziek geworden. Gioia was al iets aan de betere hand, zij werd twee dagen na Vita aangestoken, ze moest toen ook overgeven. Eerst vertelde ze nog enthousiast over haar eerste dag op haar nieuwe school, totdat ze wit wegtrok. Ze mocht een ochtendje ‘wennen’ op de basisschool waar ze vanaf volgende maand zou beginnen, dan werd ze namelijk vier.

Ik liet ze naar Sesamstraat kijken waar we een aantal DVD’s van hadden. Gioia wilde dezelfde steeds opnieuw kijken, waardoor ik steeds weer dezelfde liedjes aan moest horen, dezelfde gekke geluidjes, Ieniemienie met Pino die een spelletje speelden of Tommy en Ieniemienie met meneer Aart of Lex, Tommy die aan een beest knutselde waar niemand zich mee mocht bemoeien, het werd een Fripsodorus, Elmo die niet mee mocht doen met een spelletje Rumba bal, waarom niet, omdat hij een andere kleur had, Bert en Ernie waarbij Bert op het zandkasteel trapte van sterke Steven, die natuurlijk verhaal kwam halen, gekke poppen die ronddansten, of in een band zaten en zongen: ‘Raad wat, raad wat het is, raad wat, raad wat het is,” en Gioia die het onderhand wel wist waardoor de aanwijzingen die volgden natuurlijk totaal overbodig waren en ik zei dat het een paard was en dan zei zij ‘neehee, het is een varken’, “het is een varken, dat is het ja, een roze varken… leuk dat je meedeed deze keer, volgende keer dan doen we het weer,” en zo geschiedde, zo werd zoals zo vaak Sesamstraat mijn achtergrondmuziek, maar ik wist, het kon erger. Ondertussen probeerde ik eraan te ontsnappen en las ik een boek terwijl Vita op mijn schoot zat te draaien, te jammeren en te snotteren waardoor ik het beter op kon geven, de dag was verloren, dat wist ik wel, het was ook niet erg, leuk was het niet, maar ik kon er mee leven, de knop was om, voor zover dat kon, het lukte me nooit helemaal.

Nu zat ze weer te draaien en te doen. Eerst lag ze met haar buik tegen me aan, haar hoofd op mijn schouder, haar warme adem voelde ik in mijn nek. Daarna draaide ze zich met haar rug naar me toe, haar hoofd viel naar achter op mijn linker arm, daarna verplaatste ze zich met haar hoofd naar mijn rechterarm. Ondertussen verwisselde ik mijn E-reader van hand naar hand zodat ik kon blijven lezen. Dan gleed ze weer half van me af en trok ik haar weer omhoog. Of ze gleed er helemaal vanaf en bleef even voor me staan, niet wetend wat te doen en klom dan toch weer omhoog of strekte haar armpjes naar me ten teken dat ik haar op moest tillen. Dit gedoe en gefrummel hield zo’n half uur aan, af en toe bood ik haar het restje dikkiesap uit haar fles aan die naast me op een bijzettafeltje stond, telkens weigerde ze, wat ze liet merken door met haar hoofd te schudden. Uiteindelijk bleef ze stil liggen en nam ze toch het flesje aan en dronk warempel een paar slokken waarna ze het flesje meteen weer uit haar mond nam en vervolgens met haar armpje tegen haar lijfje aan klemde alsof ze een knuffel vasthield.

Ik las verder uit het tweede deel van de zesdelige autobiografische romancyclus van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Wat was ik onder de indruk van die man. Momenteel beschouw ik hem als mijn grote voorbeeld en leermeester. Hij liet me iets zien waarvan ik dacht, dat moet ik ook kunnen, daar moet ik ook naar streven. En datgene wat dat was, was niet precies zo kunnen schrijven als hij schreef, maar de voorwaarden scheppen om zo te kunnen schrijven als hij schreef. Met die voorwaarden bedoelde ik eigenlijk een bepaalde mindset, een bepaalde aanpak waarbij het vooral belangrijk was om dicht bij de dingen te staan. Je moest als het ware in de momenten kruipen, dan kwamen de woorden vanzelf. Althans, dat maakte ik ervan. Ergens las ik van hem dat hij jaren zat te proberen, maar dat niks goed was, tot hij doorhad, dat hij het altijd verkeerd had aangepakt en sinds hij het licht had gezien niet meer kon stoppen. Wat dat dan was vertelde hij niet, niet op dat moment in zijn verhaal. Maar later zei hij tegen een vriend van hem van wie hij zijn manuscript nakeek, waarbij hij genadeloos kritisch was met oneindig veel rode strepen en die vriend hem vertelde dat hij dat niet kon waarderen, althans, hij wilde zijn hulp wel, daar was hij vast blij mee, maar zo genadeloos, en Karl Ove bedacht toen zelf in zijn eigen overpeinzingen ook wel dat hij misschien te ver was gegaan, hij dacht dat zijn vriend alles kon hebben, maar wie kon alles hebben, vooral als het om eigen werk ging, uiteindelijk lag dat altijd gevoelig. Zijn voornaamste kritiek aan zijn vriend lag erin gelegen dat hij teveel afstand had tot de dingen. Hij moest dichter bij de dingen staan. Dat was het, dacht ik op dat moment. Het was een beetje alsof ik de schoonmaker was die het klaslokaal binnenkwam en luisterde hoe de meester zijn ijverigste leerling toesprak die was blijven hangen in het lokaal, en zonder de context te kennen, zonder het grotere verhaal te weten waarin deze les zich bevond, toch meeluisterde en dacht er zijn voordeel mee te kunnen doen. Dus ik koppelde dit aan het antwoord dat hij eerder onvermeld liet en beantwoorde daarmee de vraag naar het geheim van zijn schrijven. Ik kon niet wachten en ik ging aan de slag.

Vita sliep, ik probeerde het flesje voorzichtig uit haar greep los te maken, maar ze liet het niet toe, ze drukte het nog steviger tegen zich aan wat betekende dat ze dus nog niet helemaal sliep, nog niet diep genoeg althans, want als ik haar nu weg zou leggen werd ze ongetwijfeld meteen weer wakker. Ik las verder in het boek, alleen werd ik nu afgeleid door haar ademhaling. Deze werd iets zwaarder, dat was geen probleem, maar ook kwam er snot los wat meer voor in haar neus ging zitten waardoor elke in-en uitademing nu gepaard ging met een snotterend geluid. Het werkte zo op m’n zenuwen dat ik me bijna niet meer kon concentreren op de tekst. Het irritante eraan was dat je wilde dat ze haar snot ophield, naar binnen zoog, maar dat deed ze niet en ik kon het niet voor haar doen, ik stond machteloos, het was verschrikkelijk. Soms werkte het als ik even haar neus dichtkneep op het moment dat ze uitademde, zodat de snot nog meer naar voren kwam omdat ze het naar voren blies, dat dacht ik dan, en omdat het dan in de weg zat of omdat ze dan merkte dat het in de weg zat, snoof ze het naar binnen en slikte ze het door. Twee tellen later kwam het dan weer terug, dus echt zoden aan de dijk zette het niet.

Ik deed nog eens een poging het flesje te pakken, het lukte, haar armpje en handje lagen er slap omheen. Ik legde mijn E-reader weg, ik draaide haar weer van haar op haar rug liggende stand, haar achterhoofd rustte op mijn linkerarm, naar de stand hoe we begonnen en waarin ik haar altijd legde wanneer ik met haar opstond als ze sliep, vooral sinds ze een bepaald gewicht had bereikt, met haar buikje hoog tegen mijn borst, haar wang rustend op mijn schouder, haar adem in mijn nek. Ik legde haar in bed en toen ik haar kamertje uitstapte, stapte Mandy precies tegelijk met mij de kamer van Gioia uit. Nu waren we even alleen, samen. Zij ging werken aan haar nieuwsbrief voor haar eigen stichting, MommaLuv. Ik ging schrijven. Totdat, nou ja, je weet wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.