Korsakov

Meneer neemt een slok uit zijn borrelglaasje. Wat op zich geen opmaat hoeft te zijn voor het aansnijden van een zwaar beladen thema. Is elf uur ’s ochtends geen normale tijd voor het openen van de fles? Toch steekt hij van wal zodra zijn lippen het bitterzoete randje van zijn glas verlaten.

“Ze begon zich ineens vreemd te gedragen. Ik dacht gewoon dat ze me zat te belazeren weet je dat. Eerst vergat ze het één en ander, niks bijzonders toch, we vergeten allemaal weleens wat. Daarna begon ze in zichzelf te praten, onverstaanbaar gemompel. Maar op het laatst zei ze dat ze kleine Japannertjes zag lopen op het tapijt. Kleine Japannertjes godverdomme, kan jij daarbij?”

Ik weet bij god niet over wie meneer het heeft, maar besluit gewoon mee te gaan in zijn verhaal. “Kleine Japannertjes? En wat zei je dan?”

Meneer schenkt zichzelf een tweede borrel in. Hij lijkt er lol in te hebben, in het vertellen. Ik moet ook zeggen dat het nu al een mooi verhaal is, wat tevens veel perspectief biedt. Ik besluit er eens goed voor te gaan zitten.

“Ik dacht dat ik weer terug was op mijn oude werk bij de Klepeling. Daar werkte ik met allemaal van die rare vogels. Je kent het wel toch, daar tegenover de Hoeve, dat gekkenhuis.”

Ik had geen idee waar hij het over had, maar ik kom dan ook niet uit deze regio. “O de Klepeling, wel van gehoord ja.” Voordat het verhaal me toch te onduidelijk zou worden, verzoek ik meneer om mij toch wat achtergrondinformatie te verschaffen. “Mag ik vragen over wie dit eigenlijk gaat?”

“Over mijn vrouw,” komt er achteloos uit. Alsof het om een klein detail gaat. Meteen erachteraan neemt meneer nog een grote slok.

“Uw vrouw?” Niemand heeft mij verteld dat hij ook een vrouw heeft. “Woont zij hier niet meer?”

“Nee, zij is al een aantal jaar terug opgenomen. Op een dag kreeg ze het zo benauwd en wilde ik een dokter bellen. Maar stronteigenwijs als ze is, stond ze het me gewoon niet toe. Bovendien zouden die Japannertjes haar iets aandoen als anderen over haar bestaan kwamen te weten. Ze zei dat als er iemand zou aanbellen, ze een ritueel offerfeest zouden organiseren waarbij ze in haar hersenen zouden kruipen en ze haar zouden bewegen tot harakiri.”

Op dit punt begon ik toch wel aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen. Waarbij ik nog niet zeker wist of ik meer geloof moest hechten aan het bestaan van kleine Japannertjes of aan het bestaan van zijn vrouw.

“Op een gegeven moment ging ze naar de wc en kwam maar niet meer terug. Toen ik ging kijken, lag ze ernaast. Je hebt mijn vrouw natuurlijk nog nooit gezien, maar die krijg je niet zomaar overeind getild. Dus ik belde m’n zoon, die meteen de huisarts belde. Binnen een handomdraai stonden er twee van die kerels voor de deur. “Waar ligt uw vrouw?”, vroegen ze. “Daaro,” en ik wees naar de toiletdeur, “maar kijken jullie wel uit voor die kleine Japannertjes?”, riep ik ze nog na.

Meneer wacht mijn reactie af terwijl ik net even in de map kijk naar zijn gegevens. Ik lees de doelstelling van de zorg: Meneer helpen met douchen, meneer stimuleren tot eten en zorgen dat hij voldoende drinkt. Gezien de tijd besef ik dat alleen het laatste doel nog reëel is. Verder lees ik bij ‘diagnose’: ziekte van Korsakov. Ik sluit de map, kijk meneer bedenkelijk aan en vraag:

“Hoe klein zouden die Japannertjes zijn geweest?”

Hij leegt een volgend glas, wie weet hoeveel daaraan vooraf gingen.

“Volgens mijn vrouw zijn ze niet langer dan dit”, en hij laat een halfgeopende ruimte tussen zijn duim en wijsvinger zien.

Bij het doorbladeren van de map was me trouwens nog een ding opgevallen: zijn burgerlijke staat.

“Ik weet dat Japanners klein kunnen zijn, maar is uw vrouw in dit verhaal niet gewoon een enorme reus?”

“Ja dat is ze sowieso,” zegt meneer gekscherend. Maar al snel verdwijnt een geforceerde glimlach van zijn gezicht en zakt hij even droevig weg uit zijn opgewekte conference. “Misschien heb je wel gelijk,” hij neemt de laatste slok uit de fles en geeft toe, “zij is het grootste gat in mijn leven.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.