Muisjes zonder beschuit

beschuit-met-muisjes

Om mevrouw tegen zichzelf te beschermen is er een geheime opslag in het leven geroepen. Er staat in de zorgmap vermeld dat wanneer je op zoek bent naar beschuit, je dit kunt vinden in de kast in de logeerkamer. Deze kast blijkt te zijn ingebouwd boven het deurportaal. Als ik op een stoel klim kom ik er net aan bij. Hoe mijn collega’s die over het algemeen een halve meter korter zijn erbij kunnen, is mij een raadsel. Maar voor mevrouw moet het beschuit hier toch wel veilig staan.

“Zal ik even wat te eten voor u maken?” Ik wacht mevrouws antwoord niet af en loop naar de keuken. Onderweg hoor is nog iets van ‘…ontbeten’. Ik doorzoek alle kastjes, maar ik stuit enkel op lege beschuitbussen. O ja, bedenk ik me, de geheime kast.

Ik klim op een stoel en schuif een luik van de opbergruimte open. Het eerste wat me opvalt is dat er een heleboel zakken vogelvoer liggen. Sommige zijn opengescheurd waardoor ik nu met m’n arm in een soort grabbelton van allemaal pitten zit te wroeten. Af en toe vindt mijn hand een cadeautje in de vorm van een pak hagelslag, fruithagel, roze-witte muisjes of hondenkoekjes. Maar het beschuit wil in deze pittenzee niet boven komen drijven.

“Wat sta jij daar nou te doen?” vraagt mevrouw, die blijkbaar eens even polshoogte is komen nemen. Ik schrik me rot. Gek genoeg bekruipt me het gevoel alsof ik op heterdaad ben betrapt, alsof ik hier sta te grabbelen naar haar sieraden. “Ik… ik…,” ik begin bijna te stotteren, “ik ben op zoek naar uw beschuit.” Zelfs ik twijfel aan mijn geloofwaardigheid.

Tot overmaat van ramp gaat de voordeur open en stapt een man binnen met een Albert Heijn-tas. Hij kijkt net zo verbouwereerd als zijn moeder. “Hoi, ik ben van de thuiszorg,” zeg ik in een poging mijn aanwezigheid te legitimeren. De man begint te lachen. “Jij zoekt zeker beschuit?”, vraagt hij terwijl hij de boodschappentas iets de hoogte in tilt. “Ik ben de zoon en mocht je het je afvragen, ik kom hier bijna elke dag.”

“Ik vroeg het me inderdaad weleens af,” zeg ik eerlijk. “Dit is niet de eerste beschuitloze dag hier.” “Ik weet het, het is een ramp,” reageert de zoon terwijl hij drie rollen uit zijn tas haalt. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, neem ik de rollen aan en schuif ze één voor één tussen het vogelvoer. “Het is een mysterie. Je zou denken dat mijn moeder nu even vooruit kan. Maar niets is minder waar. Al zou ik nu even de hond gaan uitlaten, dan is tegen de tijd dat ik terug ben al het beschuit weer als sneeuw voor de zon verdwenen.”

“En dat terwijl het beleg onaangetast blijft,” zeg ik terwijl ik nog eens een blik in de geheime kast werp. “Kunnen jullie eens even je mond houden over dat beschuit?”, komt mevrouw ineens tussenbeide. “Ja mam, is goed, wil je een pannenkoek?” “Ga je pannenkoeken bakken?”, vraagt zijn moeder. “Ja,” en hij loopt met een pak magnetronpannenkoeken naar de keuken. Ik klim maar eens van de stoel. Volgens mij ben ik hier niet meer nodig.