Onderweer

Op een donkere avond, ergens in Amsterdam, keek hij naar buiten vanuit zijn zolderkamer. De mensen beneden hem, oogden klein en meedogenloos. De goden boven hem nog meedogenlozer. Beide wisselden bliksemschichten. Een mooi gezicht? Nee, niet echt. Er was een overdaad aan licht.

Lees hier het gedicht

Onderweer

Het onder-weer rolt naar boven en belicht de rand,
Behalve de stad,

Daar zijn de lampen zichzelf al ontstegen,
En schreeuwen van het dak, de gevels,
De gevels en het dak,

Laat mij het licht zien roept de jongen van zijn zolder balustrade,
De straten nat doorregent,
Vieze plak,

Ze soppen maar in het neonlicht,
Maar niemand die omhoog kijkt,
Al rolt de donder nog zo hard,

Dofblauwe vertakkingen,
Verdomme,
Waarom ziet hij ze niet mooier en groter,

Zo groot zoals,
Waar zag hij ze ook alweer,
Zo groot, zo…
Nee, weer zo’n klein kut ding,

Weer van onder weer,
Van onder hun voetzolen ontstaat het waarmee de aarde wordt besmeurd met plakkerige drek om op te stijgen naar de rand,
Behalve de stad,

Daar zijn de lampen zichzelf al ontstegen,
En schreeuwen van het de dak, de gevels,
De gevels en het dak,

Alsjeblieft,
Laat mij het licht zien roept de jongen,
En de wind overdonderd de donder in z’n zak,

Het waait wel over,
Hij pakt z’n spullen, rolt naar beneden,
Verlaat de rand, de rand de stad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.