Speeltuin

Schommelen

Ik zwiep de schommel op en neer door aan één van de touwen te trekken. Mijn dochter gaat hierdoor een beetje scheef, maar wel hoog. Het meisje naast haar gaat langzaam. Zij is met haar moeder en die zit aan de telefoon.

“Harder mama.”

“Ja, nu wil zij ook harder,” zeg ik.

“Sorry, wat zei je?” Ze maakt zich even los van haar gesprek en ik herhaal wat ik zei.

“Harder mama,” roept ze weer.

Als haar dochter van de schommel is, til ik de mijne er ook uit. “Ga maar even met dat meisje spelen.”

“Ja Lena, ga gezellig samen spelen,” zegt haar moeder. Ze heeft de telefoon inmiddels opgehangen.

“Hoe oud is jouw dochter?” vraagt ze.

“Tweeënhalf.”

“Dan zijn ze ongeveer even oud. Zij wordt in mei drie.”

“Die van mij in april. Ze heeft ook een zusje van drie maanden.”

“Wat leuk, twee. Ik heb er ook twee, haar broer is wat ouder, hij is zeven.”

“Leuk.”

“Ja.”

“Maar wel pittig,” zeg ik.

“Ik red me wel hoor. Maar ik zal je eerlijk zeggen dat ik blij ben als ik de week gewoon doorkom. Dat ik in het weekend tegen mezelf kan zeggen: dat heb je toch weer mooi voor elkaar.”

“Ja, iedereen zegt wel dat je ervan moet genieten. Maar ouders met oudere kinderen zijn het alweer vergeten. Mensen zonder kinderen hebben geen idee. Dat is maar goed ook, anders zou je er niet aan beginnen.”

“Nee,” zegt ze, “sommige dingen kun je beter niet van tevoren weten.” We kijken even zwijgzaam naar onze dochters. Ze spelen nog steeds niet samen.

“Is het vandaag papadag?”

“Nee, ik werk parttime.”

“Ik ook, als kleuterjuf.”

“Ik werk in de thuiszorg. Maar ik ben ook schrijver.”

“Wat schrijf je?”

“Zeer korte verhalen.”

“Wat gaaf dat je nog zo creatief bezig bent. Vroeger schreef ik zelf veel gedichten. Later heb ik de kunstacademie gedaan en daarna heb ik lange tijd gewerkt als documentairefotograaf. Maar sinds ik moeder ben, kan ik het niet meer combineren. Mijn opdrachtgevers gingen snel bij me weg. Toen ben ik de pabo gaan doen omdat ik wel wilde blijven werken.

Maar er komt wel weer meer tijd.”

“Pahap, ik wil naar huis.”

“Ik ga Lena ook meenemen, als het me lukt.”

“Ik schrijf ook gedichten,” zeg ik nog als zij haar dochter bij zich roept, “…af en toe.”

Zonder protest klimmen de meisjes in onze armen.