Dag 1

sidewalkflowers6

Gisteravond ging ik vroeg naar bed, zo rond elf uur. Ik lag er net in of ik kon er alweer uit. Nu vond ik dat niet zo’n probleem, aangezien de slaap nog geen vat op me had. Het ergste was wanneer ik net was weggezonken, wanneer het gehuil uit Vita’s slaapkamer langzaam binnendrong en ik me net zo lang bleef verzetten tot het echt niet meer kon. Meestal was ik niet zelf degene die de grens aangaf wanneer ik op moest staan. Meestal was dat Mandy. Niet zelden reageerde ik daar duivels op, impulsief, ongecontroleerd, ondoordacht, instinctief, welk woord leende zich voor wat ik tot uitdrukking wilde brengen?

Nu stond ik gewoon op, trok m’n joggingbroek, m’n grijze capuchontrui, m’n sokken en pantoffels aan, liep naar haar bed en tilde het betraande kleine mensje eruit, dat al in de hoek van haar bedje op me stond te wachten. Na een half uurtje met haar op de bank te hebben gezeten, kon ik haar weer wegleggen. Een paar uur later kwam ze weer. Nu was het anders, nu zou ik niet opstaan, het leek onmogelijk. Gelukkig ging Mandy. Na enige tijd, onmeetbare tijd, ik zat nu immers in die andere wereld waarin ik niks zag, maar waar ik zeker niet uit wilde, stond ze in de deuropening van onze slaapkamer. Vita hoorde ik huilen vanuit haar kamer. “Kan jij even?”, vroeg ze, “ze gaat niet slapen.”

Het was kwart over vijf. Ik zette haar op het aanrecht en wilde een flesje met ‘dikkiesap’ voor haar maken. Ik had die dag net een nieuwe fles diksap gehaald. Hij zat nog dicht met een groen plastic rondje dat de vloeistof in de fles vacuüm verpakt hield. Er zat een lusje aan waarmee je het eruit kon trekken. Ik trok het kapot zonder dat er iets gebeurde, in ieder geval niet wat er moest gebeuren, namelijk dat het openging. Vita zat onrustig, haalde raar adem en het leek erop dat ze elk moment weer kon gaan huilen. Ik moest mezelf in bedwang houden. Met een mes probeerde ik het groene rondje eruit te prikken. Ik kwam aanvankelijk niet verder dan een klein gaatje. Vita begon te bewegen, heen en weer te schuiven. “Blijf stil,” zei ik, “blijf stil zitten.” Ik was bang dat ze zou vallen. Ze zat in haar grijs met roze trappelzak, wat niet erg meehielp qua grip die ze had op het gladde marmeren aanrechtblad. Ik stond een beetje half voor haar, ter bescherming, terwijl ik stond te worstelen met die ‘dikkiesap’. Ik dacht ik geef het een kans en ik hield de fles boven het drinkflesje. Er vielen een paar druppels naar beneden. Dit werkte niet zo. “Wat doe je?”, vroeg ik haar met een te luide stem. Ze zat weer gek adem te halen. “Doe normaal. Wat ben je aan ’t doen?” Ik was geïrriteerd, gefrustreerd, echt bij de mensen zou ik niet komen in de toestand waarin ik verkeerde, of was dit juist wie ik was, wie ik werkelijk was. Toen spuugde ze over me heen. “O jezus, o kut, ach meissie.” Het meeste viel op de keukenvloer, de rest bleef hangen op verschillende plekken van haar trappelzak. Er kwam meer, dat zag ik wel, ze moest huilen, maar echt kans kreeg ze daar niet toe. Ik moest snel iets pakken. Ik greep het maatbekertje waar ik altijd haar melk mee inschonk nadat ik het in een pannetje had opgewarmd. Ja hoor, daar kwam het, een dikke plakaat kwam uit haar mond schuiven. Zulke dikke kots had ik nog nooit gezien, ik kon het bijna uit haar mond pakken.

Ik nam haar bij me op schoot op de bank tot ze in slaap viel. Vanochtend moest ik Gioia naar school brengen. Als Vita nog zou slapen zou ik haar laten liggen, maar ze werd wakker nog voordat ik zelf de moed had verzameld om uit bed te klimmen, m’n wekker was allang gegaan. Toen we haar zus hadden weggebracht, gaf ik haar thuis eindelijk een flesje dikkiesap. Het was me gelukt om het plastic rondje er langs de rand uit te snijden. Ze dronk op mijn schoot, ze was slap, ziek en lusteloos. Nadat ik haar op bed legde, had ik even vrij om te doen wat ik wilde, maar veel fut om iets te doen had ik niet. Ik zou m’n manager nog bellen over een klacht van een dochter van een cliënt. Het ging om een roze beker die ik van haar moeder zou hebben gejat. Het was te bizar voor woorden en ik vond het ook meer dan onredelijk dat ik daar iemand, wie dan ook, over op moest bellen. Ik ging maar wat achter m’n iPad zitten en zag een leuk artikel over woorden op Hardhoofd. De schrijver vertelde hierin op een leuke manier welke ‘bijzondere’ woorden volgens hem wel door de beugel konden en welke niet, of wanneer niet of wanneer juist wel. Ik besloot het op Twitter en Facebook te delen, maar merkte achteraf dat het op Facebook plaatsen niet was gelukt. Ik dacht toen aan een artikel dat ik gisteren las en dat ik toen wilde plaatsen, maar wat niet lukte omdat Vita net toen ik het wilde delen een vaas omver trok met water en paastakken erin. Nu deelde ik het artikel met als opmerking erbij, dat het ironisch was, dat ik dit plaatste en dat tegelijkertijd Vita die paastakken omgooide. Dit omdat in het artikel het verhaal van een meisje met haar vader werd geïllustreerd. Ze maakten samen een wandeling, hand in hand, hij afgeleid door de telefoon aan zijn oor en zij aanwezig in het moment, met oog voor de wereld om haar heen. Zij plukte de wilde bloemen langs de kant van de weg, terwijl hij bleef telefoneren. Eigenlijk was het beeld al een cliché. Hoe vaak ging het er niet over dat we tegenwoordig teveel zijn afgeleid, dat we te weinig oog hebben voor de mensen en de dingen om ons heen, dat we te weinig écht contact maken. Toch kwam deze kleine kinderlijke metafoor uit dit stuk ineens als een berg op me af. Sinds ik mijn baan had opgezegd, zag ik ineens dat er nog een wereld bestond, anders dan waarin ik leefde. De dingen hoefden niet zo te zijn zoals ze waren. Ik hoefde me niet te conformeren naar een leven dat me van buitenaf werd gegeven, dat me werd voorgespiegeld, dat ik mezelf voorspiegelde. Ik zou er zelf uiting aan kunnen geven. Niet alleen door te laten zien wat ik zag, maar ook door te laten zien hoe ik de dingen zag en hoe ik ze graag zou willen zien en dat er een weg bestond naar hoe ik de dingen wilde zien, dat ik de dingen naar m’n hand kon zetten. Dat voelde ik nu. Ik zou de wereld naar m’n hand zetten, mijn wereld, mijn gedroomde wereld en hoewel ik op voorhand wist dat dit me niet ging lukken, had ik toch de hoop en het geloof dat het wel kon en zou ik tot het uiterste gaan om het te bereiken. En tot het uiterste gaan betekende niet nog harder lopen dan ik nu deed, nog efficiënter werken of meer doen. Voor nu leek het mij vooral zaak om minder te doen, minder, veel minder. Of misschien minder van wat er niet toe deed en meer van wat er wel toe deed. Die gedachte alleen al gaf me zo’n rust, dat het wel goed moest zijn

Na m’n iPad sessie overwoog ik om nog een kop koffie te nemen, er zat nog in de kan van wat ik eerder op de ochtend had gezet. Ik bleef er even naar staan kijken, schonk het in, maar goot het vervolgens toch in de gootsteen. Ik ging op bed liggen, bleef maar denken en denken en ging er weer uit en belde mijn manager. Ze nam niet op, dus mailde ik haar. Daarna haalde ik Vita uit bed en reed met haar naar de school van haar zus om haar op te halen. Nadat we thuis hadden geluncht, zaten we met z’n drieën op de bank. Ik met Vita op schoot, Gioia naast me, een bruin dekentje over ons heen. Vita dronk weer uit haar flesje met dikkiesap, Gioia zat op opa’s iPad en ik keek naar buiten en ik dacht na. Alsmaar dacht ik na. Ik zag hoe voor ons huis een graafmachine behendig zijn mechanische arm naar zijn schep bewoog die hij nog moest aankoppelen. Deze dag leek mij zinloos. Zo dacht ik over al mijn dagen met de kinderen. Het enige dat ik hoefde te doen, was er te zijn, en daar was ik niet goed in. Ik kon er niet gewoon zijn, er gewoon zijn voor hen en verder niks. Ik moest almaar nadenken. Het hield niet op, het zou ook nooit ophouden, behalve op de spaarzame momenten die me gegund waren, waarin ik even kon verdwijnen, zoals in mijn slaap of in het tegenovergestelde, in het volledig opgaan in het leven. De graafmachine koppelde zijn schep aan, tilde hem van de grond, gaf een knikje zodat hij in het slot viel en goed vastzat, bewoog naar rechts, naar beneden en duwde met een beweging naar links een aanhangwagen op zijn plaatst, toen weer omhoog, trok zijn arm in en reed naar achter tot hij uit het zicht verdween. Alles deed hij in een vloeiende beweging, bijna menselijk, maar toch ook verre van.