Volgende generatie

Schommelen

“Hoe oud is jouw dochter?”, vraagt de moeder naast mij terwijl ze haar zoontje op de schommel duwt. “Ze is in april twee jaar geworden,” waarmee ik natuurlijk net als elke ouder probeer te zeggen dat ze nog geen tweeënhalf, maar toch al zo bijdehand is. “O die van mij is ook van april.”
“En hoe oud is hij?”
“Drie jaar.”
“Toch ook fijn dat je zelf nog zo jong bent met zo’n kleine,” gooi ik het gesprek op haarzelf. Ik had haar uiteraard al even in me opgenomen. Ze ziet er jong uit, mijn leeftijd schat ik zo.

“Hoe oud ben jij?”, vraagt ze me. “Achtentwintig, en jij?”
“Tweeëndertig.” Ons gesprek valt even stil en we concentreren ons op de schommels met onze kinderen erop. “Is het vandaag papadag?”, doorbreekt ze het vredige heen en weer gezwiep.

“Voor mij is het bijna elke dag papadag. Mijn vrouw en ik werken parttime. Zij in het onderwijs, ik in de zorg. Tot nu toe kunnen we alles goed op elkaar afstemmen, maar er staat wel het één en ander te veranderen bij ons op het werk.”

“Ja, mijn moeder werkt ook in de zorg. Zij werkt in een verzorgingshuis, maar zegt dat ze steeds meer mensen thuis in de wijk moet gaan helpen. Ze zegt ook dat steeds meer verzorgingshuizen gaan verdwijnen.”

“Ja, de mensen blijven steeds langer thuis wonen. Ik werk in de thuiszorg en we komen steeds schrijnender gevallen tegen. Soms vraag je je weleens af waar de zonen en dochters zijn in het verhaal. Ik geloof niet dat de familie alle zorg kan overnemen. Maar een beetje betrokkenheid bij de situatie van je ouders kan toch geen kwaad.”

“Nee inderdaad. Onze ouders hebben toch ook voor ons gezorgd toen we klein waren. Het lijkt mij niet meer dan logisch om de rollen om te draaien wanneer je ouders hulpbehoevend zijn. Misschien neem ik mijn moeder wel gewoon bij ons in huis. Maar waarschijnlijk is het nu makkelijk praten, nu het nog niet zover is.”

“Ja, ik denk dat er een soort balans moet worden gevonden tussen professionele hulp en mantelzorg. Ik zou volledige zorg voor je moeder niet onderschatten. Vooral als ze zowel lichamelijk als geestelijk sterk verslechterd. En waarschijnlijk heb je tegen die tijd nog steeds zo je eigen agenda, je eigen kinderen, kleinkinderen misschien,” en ik kijk naar haar zoontje van pas drie jaar oud.

Ze moet lachen. “Ja wie weet. En wat te denken van mijn vriend. Ik weet niet of die zit te wachten op zijn schoonmoeder in huis.”

“Wat je ook vaak ziet, is dat één van de partners nog redelijk goed ter been is en de zorg voor de ander grotendeels op zich neemt. Dat is vaak behoorlijk zwaar voor diegene. Kijk, ik kom ze een half uurtje douchen en ik ben weer weg. Zo’n man of vrouw is vierentwintig uur, zeven dagen in de week, in de weer voor zijn of haar echtgenoot. Ik zie partners van mensen die ik verzorg vaak snel ouder worden. In een korte tijd met gebroken nachten, valpartijen, luiers verschonen en in herhaling moeten treden, ziet diegene de ander langzaam veranderen in iemand die je niet meer kent. Je ziet zo’n persoon gewoon in maanden, jaren ouder worden.”

“Ik denk dat dat mijn voorland is,” zegt de jonge moeder. Onze kindjes zijn inmiddels uit de schommels geklommen en zitten nu heel lief een flesje water te delen op een of ander trampoline apparaat. “Mijn vriend is namelijk achtenveertig.”

“Ach ja, laten we maar hopen dat er dan nog gewoon thuiszorg bestaat.”

“Kom Jim, we gaan naar huis, even een middagslaapje doen,” zegt ze tegen haar zoontje. We lopen naar de trampoline en tillen de kleintjes in onze armen. “Ja, wij gaan ook,” zeg ik tegen mijn dochter. Ze geeft nog een handkusje naar het jongetje. Zonder te huilen laat ze zich meenemen. Zo makkelijk heb ik haar nog nooit de speeltuin uitgekregen.