Mijn vriend

diverginglines

Dit verhaal gaat over iemand waar ik misschien wel nooit helemaal afscheid van kan nemen. Ik zou diegene kunnen omschrijven aan de hand van allerlei uiterlijkheden, categorieën waarin je deze persoon zou kunnen indelen volgens afspraken die wij met elkaar hebben gemaakt of ik zou iets kunnen vertellen over het karakter dat dit mens kenschetst met behulp van terugkerende trekken en patronen die altijd waarneembaar zijn geweest voor vrienden en familie van dit individu; niks zou werkelijk ooit iets onthullen over deze gewezen vriend van mij.

Om het gemakkelijker te maken deze onderneming met behulp van letters en woorden in taal te vatten, zal ik de hoofdpersoon in kwestie een geslacht geven, en danwel het mannelijke. ‘Hij’ bekt natuurlijk een stuk lekkerder dan ‘deze persoon’, ‘dit individu’, etc. De reden echter waarom ik mijn stuk over hem geslachtloos ben aangevangen, is om alles wat hem typeert, buiten het ‘mens-zijn’ om, zoveel mogelijk tot de kern uit te kleden. Het volstaat eigenlijk om te zeggen dat ‘het was’, of nu dus even: hij was.

Hij was een jongen die, van buitenaf bekeken, onbezorgd opgroeide. Toch maakte hij zich vaak zorgen. Zijn gedachten draaiden op volle toeren: altijd bezig met pogingen de buitenwereld te toetsen aan zijn binnenwereld. Eén van de grootste wonderen vond hij, was dat er op aarde zoveel verschillends was, terwijl er boven hem een heelal bestond met, in vergelijking tot waar hij zich bevond, nagenoeg niets. Er waren kennelijk planeten, die zag hij in een boek van hem staan. Omdat ze in dat boek stonden, waren ze er. Samen met de sterren natuurlijk, maar de sterren kon hij ook zien zonder diens afspiegelingen in de vorm van plaatjes of foto’s.

Gedurende zijn schooltijd leerde hij steeds meer over dingen die hij niet waar kon nemen en werd de wereld steeds groter. Hij bevond zich blijkbaar in een stad, samen met andere steden en dorpen in een provincie, samen met andere provincies in een land, samen met andere landen enzovoorts. Er werd hem geleerd om het overal mee eens te zijn, maar eigenlijk was hij dat nooit echt. Toch gingen alle door anderen bedachte constructies omtrent de wereld, het leven, de sociale omgangsvormen, de hoe-het-hoort- en de hoe-het-is-preken zich in zijn hoofd vastbijten en kreeg hij steeds meer dingen om over na te denken. Resulterend in steeds lastigere denkoefeningen om zijn binnenwereld te rijmen met de buitenwereld.

Hij was van nature eigenlijk een hele rustige jongen. Zijn lievelingsvak was lezen, maar dat was geen echt vak vertelde een andere vriend hem, zoals rekenen, wat zijn lievelingsvak was. Dit was weer een van die dingen die hij onbegrijpelijk vond en waar hij op de een of andere manier met zijn denken nooit echt uitkwam. Gelukkig was hij toen nog een kind en stapte hij de deur uit om te gaan knikkeren, fikkie te stoken en verstoppertje te spelen om zijn gedachten te verliezen in het onbezorgde spel. Natuurlijk stapte hij niet met zo’n volwassen bewustzijn de drempel over en werd hij net als alle andere kinderen getrokken door de magnetische aantrekkingskracht van een illusionaire vrijheid die nergens zo sterk was als buiten de muren van het ouderlijk huis. Het spel is misschien wel de eerste verslaving waar hij dankbaar aan ten prooi viel; een verslaving waar hij nooit helemaal vanaf zou komen als ware het het leven zelf: de enige onontkoombare drugs.

Het verleidelijke spel lonkte. Eerst werd hij nog gevangen door het virtuele afgeleide ervan. Een tovenaarsbedrijf wierp hem allerlei twee- en later ook driedimensionale werelden in handen die hij kon ontdekken alsof hij er zelf in zat. Eerlijk waar, zelfs in zijn dromen kwamen de kleurrijke en fantastische decors voorbij zetten en werd het nog lastiger te vertellen wat nou werkelijkheid was. Al snel maakten zijn dromen over Nintendospellen echter plaats voor iets dat vele malen aantrekkelijker en werkelijker leek: de vrouw.

Meisjes waren het natuurlijk nog, aanvankelijk, maar meisjes zijn niks meer dan kleine vrouwen; of vrouwen zijn niks meer dan grote meisjes. Al heel snel betoverden ze hem en voelde hij zich tot hen aangetrokken. Zij leken iets te bezitten wat hij niet bezat en hij verlangde hevig naar hetgeen dat dat moest zijn en onbewust zag hij in het mysterie van de vrouw het antwoord waar hij naar zocht. Zij zou hem compleet maken. De verslaving aan dit verlangen liet alle andere verslavingen ver achter zich. Als het moest zou hij zelfs cold turkey afkicken van het spel en zijn leven alleen nog in dienst stellen om de drugs overstijgende drugs te pakken te krijgen en te consumeren. Verslinden zou hij ze en verslinden deed hij. Ze verslonden elkaar. Als reuen en teven besnuffelden ze elkaars geslachtsdelen en zweetklieren, blind van ratio en pompend van adrenaline en bedwelmd onder allerlei niet lichaamseigen narcotica, zwoegden ze erop los. Nooit, nooit was het genoeg. Tot er eentje was die hem de liefde wees. En daar ging hij voor het eerst de dichte mist, de grote leegte, diep het heelal van de hersenen in.

Natuurlijk, mijn vriend zou de put weer vullen met hernieuwde levenslust en inzichten, hij maant zichzelf te stoppen met denken, alleen weet helaas geen andere manieren te vinden dan zich vast te klampen aan nieuwe verslavingen. Hij werd zich weliswaar meer bewust van onze verbondenheid: het besef dat mijn vriend en ik en de rest van de wereld en het heelal allemaal één zijn, maar wat dit impliceerde, wist hij niet. Hij dacht alleen dat het enige dat hij kon doen, was wat hij niet had gezien maar toch zag, te benaderen door te schrijven zoals hij in boeken zou lezen die hij toen nog niet gelezen had.

Hoe dan ook, zo onvoorbereid als hij de leegte in kukelde, zo onvoorbereid stortte hij zich weer op het leven. Hij maakte zichzelf wijs dat hij iemand was met een missie en dat hij er alles voor over had deze te volbrengen. Zo zelfverzekerd en gedrogeerd als hij was, ontmoette hij een vrouw die op dat moment net zo stoned van zichzelf was als hij. Je kunt eigenlijk niet echt van een ontmoeting spreken, meer een weerzien, zoiets vertrouwds als het via je vinger ruiken aan je eigen genitaliën. Ware liefde dus.

Daar ben ik mijn vriend voor de tweede keer kwijtgeraakt. Niks definieerde hem meer, dus aan hem refereren stond gelijk aan verwijzen naar niemand in het bijzonder, dus eigenlijk aan iedereen. Misschien ook niet verwonderlijk, zo bekeken, dat hij zich niet veel later ging opsplitsen in kleine mini-mensjes. Dit was voor hem nog verwarrender dan voor mij en dien ten gevolge zagen en spraken wij elkaar niet. Dat, terwijl wij altijd voortdurend met elkaar telefoneerden. Hij belde mij vaker dan z’n eigen moeder, en die belde hij vaak.

Onze gesprekken gingen nooit over koetjes en kalfjes. Ze gingen altijd over hem. Ik kon me oprecht niks boeienders en interessanters voorstellen dan mijn vriend en wilde alles over hem te weten komen. Ik geloofde oprecht dat ik via hem, alles over mij zou leren. Hij zei ook weleens dat er niks eerlijkers was dan over jezelf te vertellen. “Je kent niemand,” zei hij, “als je jezelf niet kent.” Hij gaf eerlijk toe zichzelf niet te kennen en zei weleens dat hij bestond uit duizend mensen en dat hij alle gezichten van deze mensen op kon zetten en dat niet over net zovele dagen verspreidt, maar misschien wel over een maand ofzo. Op een dag kon hij zoveel persoonsverwisselingen ondergaan dat het aan het einde van die dag leek alsof hij vele levens had geleefd en geen idee had welke van die levens hij de volgende dag voort zou zetten. Toch wist ik wel dat er eentje was waarmee hij zich het meest identificeerde. Vrijheid, creativiteit en speelsheid stonden hierin hoog in het vaandel. Het nadeel was, dat juist de identificatie met deze karakterisering hem zijn bewegingsruimte in de weg legde en hij keer op keer en in toenemende mate zichzelf de vrijheid ontnam door vast te houden aan die ene persoon. Het was ook hierdoor, dat de beer uiteindelijk los ging.

Vanaf dat punt wilde hij me niet meer spreken. Hij zei dat het huichelachtig was om net te doen alsof je met iemand in gesprek wilde zijn, terwijl je eigenlijk alleen maar voortdurend met jezelf in gesprek bent. Je vertelt de dingen die je wilt horen en je hoort de dingen die je wilt horen. De ander dient slecht als klankbord van je eigen innerlijke stem, alsof jij hem bestuurt en laat praten als een robot. Hij zei dat hij het wreed vond om mij als een robot te laten praten omdat ik er in zijn ogen juist geen was. De meesten die hij kende, praatten al zo en die kon je dus eigenlijk ook niet anders laten praten omdat ze gewoon zo waren geprogrammeerd als dat ze geprogrammeerd waren en dat programma was veelal hetzelfde. Zij bezigden een beetje de woorden die hij al zijn hele leven aan moest horen. Ik was niet zoals de anderen zei hij, ik was meer zoals hij, en juist daarom vond hij het huichelachtig, alsof hij zichzelf zou loochenen door nog met mij te praten terwijl het allemaal maar fictie was; wij twee waren alleen maar toneeldialogen of gesprekken uit de literatuur. Als dat zo was, kon hij net zo goed gaan lezen wat hij zichzelf te vertellen had en zodoende zocht hij zijn heil in boeken. Eindelijk, na al die jaren, ging hij daarom weer lezen zoals hij als klein jongetje had gedaan. Ditmaal echte boeken, of de boeken werden nu pas echt voor hem. Het enige contact dat hij nog met mij had, waren brieven die hij me schreef. Zo stuurde hij mij eens het volgende:

Ik ben het grootste geschenk voor de mensheid
Ik ben belangrijk
Ik ben wat jij voelt
Ik ben wat jij wil zeggen

Jij bent mij misschien niet
Maar ik ben jou wel
Jij lijkt in niks op mij
Ik lijk in alles op jou

Ik schrijf wat jij nodig hebt
Ik schrijf over mij
Dat heb jij nodig
Ik schrijf wie jij bent

Ik ben de beste
Ik ben de slechtste
Ik geloof dat ik alles kan
Ik geloof dat ik niks kan

Ik ben een loser
Ik verdien het niet te leven
Ik ben een stip op de aarde
Ik ben minder dan niets

Ik kijk in jouw ziel
Ik zie hoe verdrietig jij bent
Ik zie hoe je lacht, hoe je heel veel lacht
Ik zie hoe je niet lacht, zo duidelijk

Ik vertel je hoe eenzaam je bent
Ik vertel hoe eenzaam ik ben
Ik vertel hoe we samen eenzaam zijn
Ik vertel dat we samen zijn

Jij vindt dat fijn
„Dankjewel,” zeg je
„Dat is zo fijn om te horen…
Echt heel fijn”

Ik vertel dat je mooi bent
Dat je zo
Zoals je nu kijkt
Dat je zo, mooi bent

Ik vraag wat je wil
Wat je écht wil
Ik leg mijn hand op je hart
Ik voel hem kloppen

Je herhaalt mijn vraag
Je haalt nog eens adem
„Ik zou willen dat mensen
Mij laten zijn wie ik ben,” zeg je

Ik zeg dat ze dat zullen doen
Ik zeg dat je ouders
Je vrienden
Ze hebben het beste met je voor

Ik zag die blik in je ogen
Die melancholie
Dat is jouw vriend
Daar moet je vrienden mee zijn

Je bent niet gelukkig
Je hoeft niet gelukkig te zijn
Je bent niet alleen
Je    bent    niet    alleen

Ik ben met jou
Ik zag mezelf in jou
Ik hou van jou
Ik hou zielsveel van jou

Ik ben belangrijk
Ik ben nodig
Ik ben mezelf
Ik blijf vertellen

Ik ben de mooiste
Ik ben het eerlijkst
Ik ben de waarheid
Ik ben een geschenk voor dit leven

Zoiets ontroerde me wel en het leek ook wel te kloppen wat hij schreef. Vooral ook omdat het geschreven stond, leek zijn stem veel waarachtiger te zijn; alsof de uitlaatklep van zijn geest onbetwistbaar was, zoals hij waarschijnlijk ook de boeken die hij las een hogere waarheid toedichtte. Na nog enkele brieven geschreven te hebben, stopte hij ook hiermee en bestond mijn vriend vanaf dat moment enkel en alleen nog in mijn hoofd. Ik zag hem niet meer, ik hoorde hem niet meer, ik las hem niet meer en toch was hij voor mij nog altijd mijn vriend.

Op een dag kwam hij afscheid nemen en vertellen dat hij terugging en onderweg al zijn verslavingen gedag zou zeggen, zelfs de grootste der addicties, omdat hij ongelijk had: hij zou gelukkig worden. Ik keek hem voor de laatste maal aan in zijn heldere ogen – mijn schouders drukten tegen de twee enige zijdes van een open driehoek die oneindig van elkaar uiteenliepen – alvorens hij de draai maakte. Zijn rug, zijn ledematen, zijn silhouet, alles werd steeds meer een schim van iets vleselijks totdat zijn substantie opging in de almaar uitdijende ruimte. Ik verwijt hem niks. Het was. Het is. Het zal altijd zijn.

7 gedachten over “Mijn vriend”

  1. Een heel mooi stuk Sander! Ik voel daarbij wel de zwaarte van de zwaartekracht van het aardse leven wat iets melancholisch geeft. Maar je eindigde mooi met de essentie van het leven in de tekst Nat King Cole : “Love and be loved in return”!

    1. พูดว่า:It seems to me that this website doesnt load up on a Motorola Droid. Are other people getting the same problem? I like this website and dont want to have to skip it whenever Im gone from my computer.

  2. Als je op deze wijze de buitenwereld kan toetsen aan je binnenwereld is dat bijzonder, bijzonder omdat jij iets wat ver weg is zo dicht bij kan brengen. Het voelde heel fijn om over jouw vriend te lezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.