Dag 3

Gevangen lam

Er waren vandaag bepaalde dingen op werk waarvan ik dacht, dat zijn best belangrijke dingen. Er werden uitspraken gedaan door bepaalde collega’s waarvan ik dacht, dat is interessant, niet omdat ze iets zeiden dat mij meer inzicht verschafte in het vakgebied waar we ons in begaven, ook was het niet de roddel die de rondte deed en die ik absoluut moest weten, hoewel het zeker achter ruggen van mensen omging, het was omdat ze raakten aan iets duisters. Er werd bijvoorbeeld gezegd: “Soms denk ik, ze moeten mij nu niet laten werken, naar kantoor sturen, want ik doe iemand iets aan.” Eerder hoorde ik dit ook van iemand anders. Of: “Ik maak haar kapot.” Of: “Waarom zat zij niet op dat vliegtuig.” Ik begreep het wel. Dit soort verwensingen, deze emotionele uitspattingen, ze kwamen ergens vandaan, uit diegene die ze uitten, natuurlijk, maar de rationele beschermlaag die als filter diende om de emoties te beteugelen was weg. Vele factoren speelden hierin mee, die dit veroorzaakten, dat wist ik wel. Van elke persoon afzonderlijk, van elke collega, kon je redenen aanwijzen waarom diegene zou kunnen ontsporen, de controle zou kunnen verliezen, resulterend in de heetste furie mogelijk of de meest bedwelmende lethargie waardoor mensen zich tot zelfs de meest basale handelingen niet meer konden zetten. Toch zag ik bij bijna elke collega wel tekenen van overspannenheid, was het niet uit hun gedragingen, dan wel uit de gesprekken die ik met hun voerde. En ja, ook bij mezelf zag ik het, en ook bij mij zou je redenen aan kunnen wijzen waardoor mensen bijvoorbeeld zouden kunnen zeggen, ikzelf incluis: ‘ja, hij zit ook in een moeilijke fase, hij worstelt met zijn schrijverschap, hij heeft een gezin, twee jonge kinderen, het werk is misschien niet helemaal zijn ding, …’ Klopt, dat zijn misschien al redenen genoeg om af en toe te denken, ik doe iemand iets aan, mijn frustratie, mijn agressie, het moet eruit. Want soms dacht ik weleens, als ik bij een cliënt vandaan kwam, de deur achter me dichtrok en ik zag iemand mijn kant oplopen, net iets te verdacht in mijn ogen, met een soort nonchalance die me irriteerde, alsof hij dacht dat de wereld van hem was, dan dacht ik kom maar, geef me één teken, een verkeerde blik, een uitdagende stap in mijn richting. Of ik dacht dat hij stoïcijns zou doorlopen alsof ik niet bestond en met zijn schouder tegen die van mij zou opbotsten, express, ja, dat zou hij doen, dat zag ik wel, daar was hij wel toe in staat, godverdomme teringlijer, ik zou je laten zien of ik besta en ik zou je helemaal de tyfes inschoppen, het zou zwart voor m’n ogen worden ik zou niet voor mezelf in staan. Zo’n gedachte schoot dan door mijn hoofd. Een paar seconde later zag ik weer gewoon de wereld om me heen, zonder de vijandelijkheid die hij uitstraalde en verachtte ik mezelf dat ik zoiets kon denken. Waarom? Waarom in hemelsnaam? Ik geloofde niet dat je kon zeggen dat het alleen aan de persoonlijke dingen lag van mij alleen of van elke collega of elk mens afzonderlijk. Alles stond in relatie met elkaar, alles was met elkaar verbonden. En wat verbond ons nou, mij en mijn collega’s? Dat was natuurlijk ons werk, dat was de gemeenschappelijke noemer. Maar wat in ons werk kon ons zo frustreren?

“Waar moet je nu naartoe?”, vroeg een cliënt mij nadat ik in de map had geschreven en meteen mijn smartphone uit mijn broekzak haalde om te kijken wie de volgende was op mijn route. “De tuinen,” zei ik.
“O, dat is hierachter,” en ze wees de kant op waar ik moest zijn.
“Ja, dat weet ik, ik ben er al vaker geweest.”
Ik trok mijn fleecetrui aan over de trui die ik al aanhad en trok daar mijn jas over aan. Zij volgde mijn handelingen. “Is het koud buiten?”
“Nou, het is wel frisjes, maar nu is net de zon gaan schijnen, dus is het goed te doen. Ik ga,” zei ik en ik pakte mijn rugtas van de grond.”
“Ja tot ziens,” ze ze aarzelend, “en als ik je niet meer zie veel plezier en succes met wat je gaat doen.”
“Ja, dankjewel, maar ik denk dat ik je nog wel zie, ik stop per één mei.”
“O oké.”
“Doei.” Ik opende de tussendeur, liep het halletje in, sloot de deur achter me en ging door de voordeur naar buiten. Ik stapte op mijn fiets en begon de route te fietsen die ik kende om van hier bij mij mijn volgende cliënt te komen. Hij woonde weliswaar vlak achter het huis waar ik net uitkwam, maar volgens mij moest ik toch echt omfietsen, ik wist niet of hier nog een sluiproute bestond ergens tussen de gebouwen door. Het stikte hier van de geheime tussendoor verbindingen, zelfs na vier jaar hier te hebben rondgefietst ontdekte ik nog nieuwe weggetjes, paadjes en stoepjes die me sneller van A naar B konden brengen.

Toen ik de wijk in fietste waar ik moest zijn, besefte ik dat ik langs het huis zou fietsen van de cliënt die mij beschuldigde van diefstal. Het ergste was dat niet alleen zij mij beschuldigde, maar haar hele familie, terwijl ik mij daar al die jaren als kind aan huis waande. Dag in dag uit heb ik daar de stront van hun moeder, schoonmoeder en oma op staan ruimen. En nu, vlak nadat ik haar had verteld dat ik zou stoppen, dat ik haar kots niet meer op zou ruimen, dat zei ik natuurlijk niet, flikt ze me dit. En natuurlijk, ze is oud, ze lijdt aan decorum verlies werd me weleens verteld, maar toch, vaak genoeg was ze gewoon helder of wist ze toch aardig die schijn op te houden. Waarom pakte ze mij hiervoor? Was ze misschien boos dat ik wegging? Was zij misschien ook gefrustreerd door de zorg die ze kreeg, die aan kwaliteit inboette door alle overwerkte, overspannen collega’s die er kwamen en al die invalkrachten die ze de laatste tijd over de vloer moest tolereren. Had ze het gevoel dat ze iets terug moest doen, dat ze wraak moest nemen en dat ze daarom iemand moest beschuldigen en was ik een voor de hand liggende dader. Ik? Omdat ik een man was misschien? Of voelde ze zich toch gekwetst, was het juist uit liefde, omdat ik onze verhouding verbrak, zomaar, zonder dat zij het aan zag komen, was het een Crime Passionele? Jezus Christus, wat kon ik het toch ver zoeken, wat kon ik hier toch over nadenken, dat was het toch helemaal niet waard. Waarschijnlijk was het gewoon wat al mijn collega’s zeiden: namelijk dat ze heel dom was en die familie ook.

Ik fietste voorbij haar huis, ik keek even de straat in die haaks stond op de straat waar ik nu fietste. Wat als ik haar schoonzoon zou zien? Die gekke jolige Fransman, waar ik altijd zo mee kon lachen. Wat zou ik doen? Zou ik gewoon zwaaien alsof er niks aan de hand was? Zou ik naar ‘m toefietsen en vragen wat dit nou allemaal te betekenen had? Zou ik ‘m meteen op z’n bek slaan? Of zou hij naar mij toekomen? Zou hij gaan schelden en me aanvallen? Er ging een huivering door me heen. Ik voelde me even zoals ik dacht dat die familie zou denken dat ik me zou voelen, of zoals ik me volgens hen zou moeten voelen: als een dader, een schuldige. What de fuck, hoe kon dit?

’s Avonds zat ik met Mandy op de bank naar College Tour te kijken. Te gast was Louis Theroux, geweldige documentaire maker die ik hoog had zitten. Hij zei dat het hem pijn deed als mensen tegen hem zeiden: “Die mensen die jij interviewt zijn wel echt knettergek hè.” Maar vaker zeiden ze wel tegen hem dat ze het mooi vonden wat hij deed, dat hij ze een inkijkje gaf in levens waar ze geen weet van hadden en daardoor meer begrip kregen voor die levens. Hij zag zichzelf ook niet als een simpele voyeur, hij wilde niet het leed van anderen laten zien om er mee te kunnen scoren omdat dat gewoon was wat mensen wilden zien. Toen hij daarover sprak, dacht ik aan mezelf en waar ik nu mee bezig was. Ik had het gevoel dat Mandy dat misschien ook nu dacht, ik ervaarde het als een soort moment dat van betekenis was voor ons allebei, maar waarschijnlijk dacht zij  gewoon aan iets anders, hoe vaak had ik me niet vergist wanneer ik dacht te weten wat anderen dachten, zelfs als het mijn eigen vrouw betrof, of misschien juist dan. Gisteren schreef ik voor mijn gevoel het beste stuk dat ik ooit had geschreven. Het zou ‘dag twee’ uit mijn dagboek worden. Maar het was te heftig, het kwam veel te dichtbij. Voor mij maakte het niks uit, ik zou mezelf nooit sparen in mijn schrijven, maar voor Mandy was het anders. Zij was bang hoe mensen het zouden opvatten. Bovendien, het was privé, dit hoorden mensen niet te weten, dit was van ons. Maar godsamme, wat wilde ik het graag vertellen. Niet als voyeur van mijn eigen leven, om er mee te kunnen scoren, maar om iets heel wezenlijks, om iets menselijks te laten zien wat aan de kern raakte, wat het naderde, dichter dan ik tot nu toe had gedaan.

Aan het eind van het programma stond er een getinte vrouw met hoofddoek op uit het publiek om een vraag te stellen. “What is it that you would give as advice to us young future journalists?” Waarop Twan Huys zei: “That’s also my last question to you,” hij richtte zich tot Louis, “we always finish with our guest giving his best advice to the students.” Ik ging er nog eens goed voor zitten. Ik hoorde hem praten en las tegelijkertijd de ondertiteling.

9 gedachten over “Dag 3”

  1. Sander,
    1)Je gaat dus stoppen per 1-5-2015?
    2)oh hoe herkenbaar zijn de collegiale uitspraken over de persoon wiens naam we niet zullen noemen..
    3) goed stuk!

    1. Hey Kevin,

      1 ja, 2 nee, hoewel ik wel zou willen, maar ook denk ik dat het probleem groter is dan die persoon wat niet weg neemt wat die persoon heeft aangericht. 3 Thanks, altijd blij als jij dat zegt. We moeten eens biertje drinken, lekker ouwe hoeren, beetje filosoferen en vooral veel lachen natuurlijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.